DUTCH
English

 United Nations   


You are visitor:


The cradle of the U.S.A. Roosevelt presidents and family
and Four Freedoms Monument.



AMBACHTSHEERLIJKHEID OUD EN NIEUW VOSSEMEER EN VRIJBERGHE





All pictures are digitally marked and mostly cropped for internet-use.
If any of the portrayed has objections, please inform me with a private guestbookmessage.
Also if you want a picture on paper.
Use prohibited. Non-commercial use is possibly, after approval, with credentials and a internetlink.(Send private guestbookmessage!) Other incl. commercial use use on request!
De ambachtsheerlijkheid Oud- en Nieuw Vossemeer en Vrijberghe heeft eigen site op
Ambachtsheerlijkheid Oud- en Nieuw Vossemeer en Vrijberghe

De complete tekst uit het befaamde boek Vossemeer, land van 1000 heren" staat daar online.
NOW you can also view the history of Oud Vossemeer in 93 languages ! thanks to google translate Enkel via die website kunt U het boek ook bestellen:

Intekenen ’Vossemeer land van 1000 heren’
696 blz., gebonden, A. Delahaye, uitgegeven door NV Ambachtsheerlijkheid Oud en Nieuw Vossemeer 1969. De heruitgave van het boek verschijnt 1 januari 2008 en is alleen via deze website te bestellen. U kunt intekenen voor € 32,50 Na 1 december 2007 wordt de prijs € 37,50. (excl. verzendkosten € 6,20).

The ambachtsheerlijkheid Oud- en Nieuw Vossemeer en Vrijberghe has own site on
Ambachtsheerlijkheid Oud- en Nieuw Vossemeer en Vrijberghe

Het oudste afschrift weet ik is van 1256 betreffende Hendrik Buffel.(Zie geschiedenis Oud Vossemeer)

PICTURES




Painting <i>Justice</i> from Jacob Xavery 1736/after
1779(see info on Xavery's below)with Rosevelt coat of arms, designed and painted by Joannes Piepers, cut out by
Adriaan van de Bilt
Painting Justice from Jacob Xavery 1736/after 1779(see info on Xavery's below)with Rosevelt coat of arms, designed and painted by Joannes Piepers, cut out by Adriaan van de Bilt

A copy of this painting is also in the museum of Warm Springs,Georgia,USA and the house of Eleanor Roosevelt !


Interior
Ambachtsherenhuis

Ambachtsherenhuis
frontAmbachtsherenhuis backPainting <i>Justice</i> from Jacob Xavery 1736/after
1779(see info on Xavery's below)with Rosevelt coat of arms, designed and painted by Joannes Piepers, cut out by
Adriaan van de Bilt
Painting by Balthasar Beschey 1708-1776, allegory on
trade and prosperity, Hermes/Mercurius and OpsView of main room in
AmbachtsherenhuisPaper about building the AmbachtsherenhuisAnother scenic of Oud-Vossemeer, het
smidsklokje

Jan Baptist Xavery [Saveri; Savery], (Geboren: Antwerp, 30 March 1697; Gestorben: The Hague, 19 July 1742). Flemish sculptor. He was the son of the Antwerp sculptor Albertus Xavery (1664/1728), who was probably his first teacher. Xavery entered the studio of Michiel van der Voort I, where he remained until moving in 1719 to Vienna, from where he travelled to Italy. He returned in 1721 and settled in The Hague, where, in 1725, he became a member of the Confrerie Pictura, the painters guild. In the same year he married Maria Christina Robart, and the couple had two sons: the painter Frans Xavery, who became a master in 1768, and the painter Jacob Xavery IV (1736/after 1779). In 1729 Jan Baptist Xavery became Court Sculptor to Prince William IV of Orange Nassau. In the early years of his career Xavery was strongly influenced by Jacob Marot, as may be seen in his portrait of Prince William IV (marble, 1733; The Hague, Mauritshuis), which is fluently sculpted and sparsely embellished. Later, Xaverys style became more elaborate, as may be seen in the Allegory of Faith (1735; Haarlem, Grotekerk). Also see 3818: Jan Baptist Xavery 1697-1742: Apollo and the Cumaean Sibylla, 1742. Rijksmuseum, Amsterdam. See also the st. Bavo church in Haarlem. It would seem that Xavery also worked briefly in Kassel ca. 1737 for Frederick I, Landgrave of Hesse-Kassel (reg 1730/51). It is probable that he was related to the sculptor Pieter Xavery.

Pieter Xavery, (Geboren: Antwerp, ca. 1647; Gestorben: ?Antwerp, after 1674). Flemish sculptor. He left Antwerp in 1670 for Leiden, where he enrolled as a student of mathematics at the university. He may have been a colleague of Rombout Verhulst. However, Xaverys work shows a greater inclination towards genre and picturesque caricature than Verhulsts. This is particularly marked in his exuberant, small terracotta figures with their oversized heads and prominent facial features, such as Two Laughing Jesters, Lady with a Lapdog, Two Madmen and Lady Portrayed as Flora (all 1673; Amsterdam, Rijksmus., all signed). Small-scale works in other media include his signed and dated ivory Adam and Eve (1671; Amsterdam, Rijksmus.) and his bronze Peasant Boy and Girl (both ca. 1675; Amsterdam, Rijksmus.). See the figurines in the Lakenhal, Leiden        
His terracotta relief of the Flagellation of Christ (1667; Bruges, Gruuthusemus.) is a rare example of a religious subject. Xavery also worked on some monumental works, including stone figures for the pediment and gable decoration (ca. 1671/2) of the Gravensteen, Leiden, the pediment sculpture (1673) for the house of the Vergulde Turk on the Breestraat and a group of 23 figures of lawyers and judges for the Vierschaar (all in situ). He remained active in Leiden until 1674, after which there is no record of his activity.



Location of Oud-Vossemeer on the isle Tholen in NEDERLAND





Here the History of Oud-Vossemeer,to the complete history of Oud-Vossemeer from 1200 and earlier...

All pictures are digitally marked and mostly cropped for internet-use.
Use prohibited. Non-commercial use is possibly, after approval, with credentials and a internetlink.(Send private guestbookmessage!) Other use on request!


- The "ambachtsheerlijkheid" is the only one in Nederland which has still a functional ambachtsherenhuis.

- From before 1497 there was a "kerkmis" (church-mass) connected to the yearly meeting
kermis
Oud-Vossemeer  kermis
Oud-Vossemeer

 of the "ambachtsheerlijkheid", followed by a fair (kermis)
 Today it's on the second Thursday of the month of June, in those days it was on June 24th,
 the day of the patron of Oud-Vossemeer, St. Jan.
patroon
Oud-Vossemeer, het blazoen is van de rederijkerskamer. Het bevat een afbeelding van St.Jan, de patroon van Vos-
semeer, en het devies : -Christus 's mensch voedsel-. Deze kamer zou de naam gedragen hebben van 't Coren Bloyt, wat
juist kan zijn, daar op het blazoen 8t.Jan afgebeeld is tussen bloeiende korenaren. Linksonder het wapen van
Oud-Vossemeer, rechts het wapen van de schutterij van Oud-Vossemeer, (donkergroen met in wit een vos staande met in
zijn bek een maretak. De schutters droegen op de mouw van hun donkergroene uniform hetzelfde wapen)gewijd aan St.
Sebastiaan, Bovenste wapen heb ik nog niet geduid.

St. Jan, patron of Oud-Vossemeer on a plaquete of 1612 in Ambachtsherenhuis. Het blazoen is van de rederijkerskamer. Het bevat een afbeelding van St.Jan, de patroon van
Vossemeer, en het devies : -Christus 's mensch voedsel-. Deze kamer zou de naam
gedragen hebben van 't Coren Bloyt, wat juist kan zijn, daar op het blazoen
8t.Jan afgebeeld is tussen bloeiende korenaren. Linksonder het wapen van Oud-Vossemeer, rechts het wapen van de schutterij van Oud-Vossemeer, (donkergroen met in wit een vos staande met in zijn bek een maretak.
De schutters droegen op de mouw van hun donkergroene uniform hetzelfde wapen)gewijd aan St. Sebastiaan, Bovenste wapen heb ik nog niet geduid


In het ambachtsherenhuis hangt ook dit portret, wat lang onbekend was.
Gezien z'n predikantenkleding(gemeentearchivaris vd Kieboom) zal dit waarschijnlijk Francois Manteau zijn, die volgens Delahaye 46 jaar predikant is geweest van 1619-1665. Op het predikantenregister in de NHkerk staat 1611-1663.

Painting by Balthasar Beschey
1708-1776, allegoy on trade and prosperity, Hermes and Thaleia(leadgodess of muzes and one of the charites)(Greec) Mercurius and Fortuna (Roman)


Inleiding:
Weinig heerlykheden kunnen zig beroemen hunne schriften van de oorspronglyke uitgifte af, zoo wel geconserveert te
hebben, als Vossemeer, en zonder dat was haar Geschiedenis in 't kerkelyke en weereldlyke, zoo uitvoerig niet te
behandelen geweest, als nu geschiedt is, en welke men zich zig vleijen mag den Landzaat en Vaderlander, eenigzints
voldoen zal. De Waarheid, die de Schryver altoos ter baake neemt, zal mogelijk hier of daar dees of geene mishagen,
den Overheden en Onderzaten zijn met dezelve bescheidenheid behandelt, men heeft zig ook gewagt van liefdelooze
uitdrukkingen omtrent de geenen die een andere kerkleer dan wy volgen; de waarheid zyn zy ook verpligt hulde te doen,
begrypen zy het anders de God der Waarheid alleen kan hun bekeeren, en dat wenscht men hun van harte toe. Meerder heb
ik hier niet by te voegen, en wensche mijnen lezeren alle Heil ! Den 24 Mey 1784. 
JACOB ERMERINS in zijn inleiding op: EENIGE ZEEUWSCHE OUDHEDEN, UIT ECHTE STUKKEN OPGEHELDERT EN IN HET LICHT GEBRAGT, BEHELZENDE DE BESCHRYVTING DER HEERLIJKHEDEN VAN VOSSEMEER EN VRYBERGEN, MET PLATEN TE MIDDELBURG, BY WILLEM ABRAHAMS, 1784.

1e deel orgineel 2e deel orgineel 




De heerlijkheid, zegt Ermerins, 1 wordt waargenomen door een rentmeester, die in de vergaderingen van de heerschappen als secretaris fungeert. Hij verpacht de tienden, veren, dijken, visserijen en alles wat tot het domein behoort. Hij moet de besluiten notuleren en uitvoeren, de benoemingen van de functionarissen en lagere bedienden opmaken. In naam van de heren woont hij de afhoring bij van de polderrekeningen, de collegia qualificata (voor het beroepen van de predikanten), kortom, hij verschijnt overal, waar buiten de jaarvergadering de heren vertegenwoordigd moeten zijn. Hij alleen heeft de ontvangst en de uitgaaf van het gehele financieel beheer, zodat, zegt Ermerins schalks, het ambt van rentmeester altijd een even aanzienlijke als voordelige functie is geweest. Dit nog temeer, omdat aan het ambt ook het dijkgraafschap van alle polders verbonden was, en de rentmeester derhalve de grootste gage van het dijkbestuur ontving. Het is zeer waarschijnlijk, dat er kort na de stichting van de ambachtsheerlijkheid al een rentmeester heeft gefungeerd. Voor de eerste maal wordt hij in een stuk van 1431 vermeld; 2 zijn naam is echter niet bekend. De volgende rentmeesters worden in chronologische orde besproken; naast de gegevens over de personen vindt men daar tevens de bijzonderheden over het ambt zelf.

1. Ydo Jacob zoon, (1481) - (1492?) Hij wordt genoemd in een stuk van het jaar 1481. 3 Samen met de vertegenwoordigers van de graaf van Nassau regelde hij de paalscheiding tussen het land van Vossemeer en Steenbergen. Dat hij in deze zaak zelfstandig optrad, uiteraard op bevel van de heren, is een blijk van de grote bevoegdheden, die de rentmeester in deze tijd had. In 1492, toen er reeds een nieuwe rentmeester was benoemd, bleef Ydo Jacob zoon nog belast met bepaalde zaken, voornamelijk verband houdende met de geschillen, die de heren van Vossemeer met de kapittels van Bergen op Zoom en Tholen hadden. 4 Als er “nieuwigheden” opkwamen in het land van Vossemeer, zegt een resolutie laconiek, zal de rentmeester daar de “last” van hebben. 5

2. Pieter Ydo zoon, (1491) - (1493) Van deze rentmeester zijn twee rekeningen bewaard gebleven. 6 Mogelijk is echter, dat hij langer gefungeerd heeft. Vermoedelijk was hij een zoon van de vorige rentmeester.

3. ? 1496 - (1499) Een nieuw benoemde rentmeester, wiens naam niet bewaard is gebleven, legde in 1496 de eed af voor baljuw en schepenen. 7 Blijkens een resolutie van 1497 had hij er toezicht op te houden, dat de schepenen de inwoners recht verschaften. 8 Daar de rekeningen tussen 1493 en 1499 ontbreken, kan de tijd van zijn ambtsvervulling niet nauwkeuriger worden vastgesteld.

4. Michiel Pieterse, 1499 – 1510 In het jaar 1499 legde Michiel Pieterse de eed af als ontvanger en “uitgever”. 9 Hij beloofde alle renten te innen gelijk de vorige rentmeesters gedaan hadden. Die renten vervielen met Bamis (St. Bavo-mis d.i. 1 october) en Kerstmis. Van zijn geldelijk beheer zou hij tegen Pinksteren rekening afleggen. Hij mocht geen uitgaven doen zonder verlof van de “naast bijgezeten” heren; overigens zou hij alles doen wat een goed rentmeester behoort te doen, tot hij opgezegd zou worden door de heren. De volgende rentmeester legde in 1510 dezelfde eed af, doch ditmaal hadden de heren als eis gesteld, dat zijn geldelijk beheer door twee borgen gedekt zou worden. Michiel Pieterse fungeerde gedurende elf jaren. De laatste rekening, die van 1509/10, werd door zijn weduwe ingediend. 10

5. Cornelis Cornelis Pieters zoon, 1510 – 1525 Hij is in 1510 benoemd 11 en bekleedde het ambt tot 1525. 12 In deze tijd genoot de rentmeester een gage van 6 pond per jaar. 13 Om zijn goede diensten, voor de heerlijkheid verricht, kreeg Cornelis in 1513 zes gemeten land in de nieuwe polder van Schuddebeurs. 14 De gage was belachelijk laag; doch buiten dit vast inkomen had de rentmeester nog andere emolumenten, zodat hij toch aan een behoorlijk salaris kwam. In 1525 is de vaste gage tot 8 pond opgevoerd; 15 in 1532 zelfs tot 10 pond (60 gulden!). 16

6. Guido van Bloys, 1526 Deze rentmeester diende slechts één rekening in, 17 zodat het waarschijnlijk is, dat hij het ambt slechts tijdelijk heeft waargenomen.

7. Marinus Simon Anthonis zoon 1527 – 1529 Bij de benoeming in 1527 stelde diens vader Marinus Anthonis zoon zich borg, terwijl de zoon een schepenakte liet opmaken, dat hij zijn vader voor eventuele schade zou vrijwaren. 18 Hij fungeerde gedurende drie dienstjaren. 19

8. Anthonis Boudiins, 1530 – 1533 Van hem is enkel bekend, dat hij gedurende drie jaren rentmeester was. 20

9. Jan Jacobs zoon de Houwer, 1534 – 1535 In de rij van goede en voortreffelijke rentmeesters, die de ambachtsheerlijkheid over het algemeen heeft gehad, vormt deze het zwarte schaap. Toen hij één jaar het beheer had gevoerd, bleek zijn beleid niet goed te zijn geweest; hij werd dan ook niet langer gehandhaafd. In 1535 moesten de heren van Vossemeer een gerechtelijke actie tegen hem instellen, om de gelden los te krijgen, die hij de heerlijkheid nog schuldig was. Van particuliere zijde was een andere vordering op hem gedaan. 21

10. Jan Jans zoon, 1535 – 1560 Ondanks zijn simpele naam heeft de ambachtsheerlijkheid in Jan Jans een buitengewoon bekwame en actieve rentmeester gehad. Hij heeft de zaken beheerd in een zeer moeilijke tijd, toen politieke en godsdienstige troebelen alom de geesten in verwarring brachten. In zijn periode heeft het ambacht in veel opzichten met de rug tegen de muur gestaan. Het is aan zijn voorzichtig maar toch vasthoudend beleid te danken geweest, dat de heerlijkheid vrij goed door een kritieke tijd heen is gekomen. Het mag deze rentmeester dan ook van harte vergeven worden, dat hij in 1560 niet meer tevreden was met zijn eenvoudige en oer-Nederlandse naam, en dat hij zich toen Jan Janssen van Couwerffve noemde. 22 Hij overleed op 19 september 1583. Hij was gehuwd met Balbina Jacob van Bleyswijck, die op 28 october 1576 overleed. Hun grafsteen bevindt zich in de kerk van Tholen.

11. Mr. Jacob Pieters zoon van Gelre, 1560 – 1581 Deze rentmeester is in 1560 of 1561 benoemd. Vooral in deze tijd was het ambt geen sinecure. Dikwijls moest de rentmeester voor de heren op reis; de heerlijkheid had overal belangen, en als er moeilijkheden waren, konden die slechts door conferenties ter plaatse uit de weg worden geruimd. Er zou een boeiend verhaal geschreven kunnen worden van de reizen, die Mr. Jacob voor de heren heeft gedaan; blijkens de rekeningen bevond hij zich herhaaldelijk in Brussel, Mechelen en Antwerpen, waar hij zijn ziel in grote lijdzaamheid moest trachten te bezitten bij de eindeloze besprekingen met de advocaten en procureurs, die in drommen ingeschakeld moesten worden om iets bij de landsregering gedaan te krijgen. Laten wij hier één detail ophalen. In 1572 moest de rentmeester voor zaken naar Zierikzee. ‘s Morgens begaf hij zich naar St. Annaland, met de bedoeling daar een schip te nemen. 23 Doch door een groot “tempeest” was hij genoodzaakt er te blijven en op beter weer te wachten. Tegen de avond “cesseerde” de wind een weinig. Toen waagde hij de reis naar Nieuwerkerk. Pas de volgende morgen kon hij overvaren naar Zierikzee. In 1575 vergunden de heren hem, dat hij de dijken van Vogelenzang en Kijkuit tot eigen profijt mocht beplanten. 24 Enige jaren nadien moesten de heren van Vossemeer fel voor hun rentmeester in de bres springen, toen hij door de rentmeester van Beoosterschelde in de gevangenis was gezet, om de betaling af te dwingen van bepaalde beden en schoten, van wier rechtmatigheid de heren niet overtuigd waren. De gijzeling werd weliswaar spoedig ongedaan gemaakt, doch de rentmeester van Beoosterschelde bleef dwingen en dreigen.

12. Dierck Heijnricxs zoon , 1581 – 1596 Deze is in 1581 tot rentmeester aangesteld na het overlijden van Mr. Jacob van Gelre. 25 Voor de eerste maal stelden de heren van Vossemeer een instructie op, volgens welke de rentmeester zich had te gedragen. Eén bepaling hiervan was, dat hij zijn rekening te doen had zonder resten of restanten. Dit wil zeggen, hij moest er voor zorgen, alles binnen te hebben wat in dat dienstjaar moest zijn betaald. Voorheen hadden de heren nogal last gehad met de resten, die de neiging hadden over te blijven staan, zodat men tenslotte zat met de resten van verschillende dienstjaren. Dierck Heijnricxs genoot bekendheid als waterbouwkundige. In 1581 en 1582 was hij als gezworene in dienst van de stad Steenbergen, toen deze het werk van de heropening van de haven liet uitvoeren, die tengevolge van de bedijking van de Graaf-Hendrikpolder was gesloten. 26 In 1595 werd de rentmeester tevens als baljuw en dijkgraaf aangesteld. 27 In deze tijd is de cumulatie van de betrekkingen slechts een enkele keer voorgevallen; over het algemeen werd een afzonderlijke baljuw aangesteld, die tevens als dijkgraaf van de polders fungeerde. In de 18e eeuw was de functie van dijkgraaf aan het rentmeesterschap verbonden.

13. Hendric Dierxs zoon, 1597 – 1611 Aangesteld in 1597, werd hem in 1606 verlof gegeven, om een plaatsvervanger aan te stellen, doch op voorwaarde, dat hij op het eerste aanzeggen van de heren zijn ambt weer zou opnemen. 28 Zijn laatste rekening, die van 1610/11 is door zijn weduwe afgelegd.

14. Johan van Gelre, 1611 – 1613 Hij wordt in 1611 aangenomen als rentmeester en als secretaris van de heren. 29 Wat in de practijk waarschijnlijk al langer gewoon was, namelijk dat de rentmeester notuleerde en voor alle zaken de pen voerde, is ten overvloede nog eens vastgelegd. Hem werd bij zijn eerste aanstelling tevens opgedragen, “suffisante” borgen te stellen, zonder dat een som werd genoemd. Zijn laatste rekening die van 1612/13, werd namens zijn weduwe Maria Huijberts door een ander afgelegd. 30 Ook uit de benoeming van zijn opvolger blijkt, dat hij vóór de vergadering van juni 1613 overleden is. Tussen 1613 en 1624 en 1625 tot 1628 ontbreken de rekeningen van de ambachtsheerlijkheid, zodat de lijst van de volgende rentmeesters tot 1628 niet absoluut zeker is.

15. Jacques Dallens, 1613 – 1624 In de vergadering van 1613 is Jacques Dallens benoemd. 31 Als de rentmeester voor het ambacht buiten de heerlijkheid dienst moet doen, besluiten de heren in 1615, mag hij door de baljuw een wagen en paarden laten vorderen. 32 In 1621 klaagde de rentmeester over zijn klein en sober tractement “voor het opbeuren en innen van zo grote sommen”. De heren kenden hem voor het vervolg de 20e penning toe van de ontvangsten. Bepaalde posten werden echter uitgezonderd, zoals de 5e penning van de verpachting van de dijkettingen, gorzen, tienden en molens. 33

16. Hendrik de Putter, 1624 – 1628 Aan de nieuwe rentmeester worden bepaalde gelden uit de tienden toegewezen op voorwaarde, dat hij zorg zal dragen voor het meten en karteren van de gorzen en dijkettingen, zonder daarvoor een aparte vergoeding te vragen. Op deze en andere bepalingen werd Hendrik de Putter in het jaar 1624 aangesteld. 34 Hij was in 1628 reeds overleden. 35

17. Hendrick de Roovere, 1628 – 1631 Een deel van de vroegere salarisverhoging hebben de heren van Vossemeer bij de benoeming van deze rentmeester in 1628 teruggenomen. 36 Nu vroegen zij voor het ambt een recognitie van 100 karolusguldens, die hij elk jaar als een post van ontvangst in zijn rekening moest verantwoorden. In feite was dit een verkoop van het ambt, ofschoon geen enkel stuk dit min of meer brute woord gebruikt; de bronnen spreken altijd van recognitie. De nieuwe rentmeester werd tevens gelast, het archief van zijn voorganger over te nemen. De Roovere was vóór de vergadering van juni 1631 reeds overleden. Zijn weduwe ontving nog enige betalingen van de ambachtsheerlijkheid voor uitgaven, die zij te doen had gehad in verband met de waarneming van het ambt door anderen, doch de heren beslisten meteen, dat zij dit nimmer meer voor de weduwe of erven van een rentmeester zouden doen. 37

18. Cornelis van Gelre, 1631 – 1655 Op de gewone recognitie en de gebruikelijke borgtocht werd Cornelis van Gelre in 1631 benoemd. 38 Vanwege zijn langdurige dienst verkreeg hij in 1642 kwijtschelding van de jaarlijkse recognitie. 39 Hij moest ze wel storten, doch hij mocht ze als een post van uitgaaf weer boeken. Dit was kennelijk bedoeld om de recognitie in de boeken te houden. Een merkwaardige zaak deed zich in 1649 voor. De rentmeester verzocht uit zijn ambt ontslagen te worden, doch de heren weigerden hem dit. Zij haalden hem over in zijn ambt te blijven en spiegelden hem voor, dat zij hem misschien wel ontslag zouden geven, indien hij hun een geschikte opvolger wist voor te stellen. 40 Sinds 1652 heeft Van Gelre geen dienst meer gedaan; enige jaren heeft Jacob Jacobse Faes het ambt waargenomen.

19. Jacob Jacobse Faas, (1652) 1655 – 1678 Na het overlijden van Cornelis van Gelre is Faas in 1655 op de voorwaarden van zijn voorganger benoemd. 41 De jaarlijkse recognitie werd terstond hersteld. Een nieuwe bepaling bij zijn aanstelling was, dat hij elk jaar “continuatie” moest vragen, d.w.z. de rentmeester werd van jaar tot jaar benoemd. Dit voorschrift is nadien tot 1861 gehandhaafd. In 1668 verkreeg de rentmeester acte van “survivance” voor zijn zoon Jacob Faas. 42 Dit hield de toezegging in van de heren, dat hij ingeval van het overlijden van zijn vader tot rentmeester benoemd zou worden.

20. Jacob Faas, 1675 – 1679 Naar het schrift in de resolutieboeken en rekeningen te oordelen, heeft Jacob Faas het ambt van 1675 tot 1678 bekleed. Zijn opvolger notuleerde al de vergadering van 1678; deze werd in 1679 benoemd. Van Jacob Faas is geen benoemingsbesluit te vinden, zodat het waarschijnlijk is, dat hij in 1675 zijn vader is opgevolgd uit kracht van de vroegere acte van survivance. Voor zijn optreden als rentmeester hebben de heren geen nieuwe benoeming nodig gevonden.

21. Marijnus vant Rosevelt 1679 – 1690 Na het overlijden van Jacob Faas werd Marijnus vant Rosevelt in 1679 benoemd “om zijn bekwaamheid en nuttigheid”. 43 Een strikte instructie is hem niet gegeven, doch in de bewoordingen van zijn benoemingsbesluit lagen nauwkeurige omlijnde opdrachten vast. Hij mocht zijn ambt aanvaarden “onder expresse stipulatie en beding, dat hij in alle delen de voordelen, profijten en voorrechten van de hoge heren naar uiterste vermogen moest waarnemen en betrachten”. Het ambt werd hem bij provisie verleend; tevens moest hij de jaarlijkse recognitie betalen. In 1687 verkreeg hij van de heren de toezegging, dat zijn zoon Hendricus van ’t Rosevelt hem zou opvolgen. 44 Marijnus heeft ook gefungeerd als burgemeester van Tholen. Hij overleed in 1710; de grafsteen van hem en zijn vrouw Johanna Poulier bevindt zich in de kerk van Tholen.

FAMILIE VAN ROSEVELT

Met Marijnus vant Rosevelt doet de familie van Rosevelt haar intrede in de ambachtsheerlijkheid. Het geslacht heeft aan Vossemeer enige rentmeesters geleverd; later zijn meerdere leden ervan ambachtsheer van Vossemeer geweest. Het sterke vermoeden bestaat, dat de voorvader van Franklin Delano Roosevelt, tussen 1932 en 1944 president van de Verenigde Staten van Amerika, in de 17e eeuw van het eiland Tholen naar Amerika is geëmigreerd. Naar de juiste afstamming is een intensief onderzoek ingesteld, dat bij gebrek aan gegevens niet verder is gekomen dan enkele aannemelijke hypothesen. Volgens Amerikaanse gegevens, onder andere ontleend aan een familiebijbel, staat vast, dat de stamboom van president Roosevelt teruggaat op Claes Maertenszoon van ’t Rosevelt, die met een schip van de West-Indische Compagnie in 1649 of 1650 in Amerika arriveerde. Hij huwde met Jannetje Thomas (of Samuels). De dopen van hun kinderen komen voor in de kerkelijke registers van Nieuw-Amsterdam (New York). Het land tussen Tholen en Poortvliet Het land tussen Tholen en Poortvliet, het oude Rosevelt, van welke toponiem de familienaam vermoedelijk is afgeleid. Foto: F. van Rosevelt U.S.A., 1967.

Het is niet gelukt in Nederland gegevens over deze Claes Maertenszoon van ’t Rosevelt terug te vinden, hetgeen niet verwonderen moet als men bedenkt, dat de kerkelijke doop- en trouwboeken uit die tijd in Oud Vossemeer ontbreken, terwijl ook met de mogelijkheid rekening moet worden gehouden, dat Claes Maertenszoon in Amerika een andere naam heeft aangenomen. In de 17e eeuw was onder de gemeente Tholen, in de 1500 Gemeten Polder, een boerderij gelegen met de naam “Het Rosevelt”, waarschijnlijk aldus genoemd naar de vele klaprozen, die er bloeiden. Daar woonde als eigenaar Pieter Jorisse, die kort vóór 22 februari 1647 overleed. Hij was gehuwd met Pieternella Marinusse. Hun dochter Tanneke huwde eerst met Marinus Janse Reuijer, later met Cornelis de Ronde. Tussen de laatst genoemde en een zekere Maarten Cornelisse Geldersman ontstond in 1652 onenigheid over de pacht van “Het Rosevelt”. Maerten Cornelisse Geldersman was een zoon van Cornelis Geldersman van Westkerke. Omstreeks 1647 bezat hij een huis of land te Oud Vossemeer; op 19 maart 1649 kocht hij bovendien de hoeve “Het Rosevelt”. Naar de gewoonte van die tijd heeft hij waarschijnlijk de naam aangenomen van de plaats, waar hij woonde, en noemde zich Maerten van ’t Rosevelt. Het is evenwel niet bewezen, dat hij een zoon Claes had, die rond 1650 naar Amerika vertrok. Maerten Cornelisse Geldersman ging in 1653 failliet; de historie zwijgt verder over hem. Overigens komt de toponiem “Rosevelt” op meerdere plaatsen in Zeeland voor. Als tweede hypothese is gesteld, dat de Amerikaanse Roosevelts afstammen van een zekere Klaas Gelderman. Deze vertrok ook in het midden van de 17e eeuw naar Amerika, maar is daar uitsluitend onder zijn werkelijke naam Geldersman bekend. Zijn afstamming is in Nederland niet terug te vinden; er blijkt niets van enig verband met Maerten Cornelisse Geldersman van Westkerke, die op de hoeve “Het Rosevelt” woonde.

De derde hypothese is, dat de gezochte Claes Maertenszoon van ’t Rosevelt voorkomt uit de Rosevelt-tak, die zich in Oud Vossemeer vestigde. Tanneke, dochter van Pieter Jorisse, had een broer, die de naam “op ’t Rosevelt” aannam, en op 6 januari 1648 de eigendom verkreeg van een boerderij onder Oud Vossemeer. Vermoedelijk is hij Marijnus vant Rosevelt, die tussen 1679 en 1690 als rentmeester van de ambachtsheerlijkheid fungeerde. Hij werd de stamvader van de Roseveltfamilie, die in Oud Vossemeer spoedig belangrijke functies te vervullen kreeg. Zijn zoon Marinus, in 1679 geboren, was later notaris en gemeenteontvanger. Zijn andere zoon Hendricus volgde hem als rentmeester van de ambachtsheerlijkheid op; deze werd in 1707 door zijn broer Pieter opgevolgd. Al is Claes Maertenszoon van ’t Rosevelt in deze tak ook niet te vinden, dan bestaat wel de mogelijkheid, dat hij een broer van Marijnus van ’t Rosevelt was. Een aanwijzing hiervoor is te vinden in de naam van Marijnus en in de vadersnaam van Claes Maertens, wat zou kunnen wijzen op de naam Maerten van hun vader. Een zoon van de rentmeester, waarschijnlijk de oudste, heette ook Marinus; de oudste zoon werd meestal naar zijn grootvader van vaders kant genoemd. Het blijven slechts gissingen, zolang de juiste afkomst van de stamvader der Amerikaanse Roosevelts niet vaststaat. In Oud Vossemeer zijn nog enige overblijfselen van de familie te vinden. Men zegt, dat het herenhuis “Huize Rosevelt” op de plaats staat, waar vroeger de boerderij van een Rosevelt gelegen was. Enkele wapenschilden bevinden zich nog in de hal. De juistheid van deze traditie is echter aanvechtbaar. In het schoorsteenstuk van de rechtszaal van het ambachtsherenhuis bevindt zich het wapen van Mr. Johan Willem van Rosevelt, die ten tijde van de bouw van het huis (1767 - 1771) ambachtsheer was. Dit wapen vertoont enige overeenkomst met het familiewapen der Amerikaanse Roosevelts; tussen beide wapens zijn overigens belangrijke afwijkingen. In de hal van het ambachtsherenhuis bevindt zich de eerste steen, gelegd door Johannes Isebree, echtgenoot van Catharina van Roosevelt.In de Ned. Herv. kerk van Oud Vossemeer is een lichtkroon aanwezig met het opschrift: “Johannes van Rosevelt, in leven schoolmeester te Scherpenisse, zoon van wijlen Pieter van Rosevelt, in leven schoolmeester en koster te Oud Vossemeer, offreert dit aan en ten geschenke van deze kerk; sterft den 26 october 1787”. Het zilveren doopbekken in dezelfde kerk is in 1761 door Johanna Ermina van Rosevelt geschonken ter nagedachtenis van haar man Mr. D.P. Recxstoot, heer van Vossemeer, schepen van de stad Tholen, bewindhebber van de Westindische Compagnie ter kamer van Zeeland, enige zoon van Mr. Johan Pieter Recxstoot, burgemeester en raad van Tholen, daarna raadspensionaris van Zeeland. Uit de familie van Rosevelt zijn ambachtsheer van Vossemeer geweest:

Johanna Maria Rosevelt ? – 1705 Pieter van Rosevelt 1730 – 1731 Johanna Hermina Rosevelt 1731 – 1755 Mr. Johan Willem van Rosevelt 1731 – 1790 Catharina Elisabeth van Rosevelt 1743 – 1754 Maria Hermina van Rosevelt 1792 – 1824

In 1950 bracht Mevr. Anne Eleanor Roosevelt, weduwe van de president, een bezoek aan Nederland en aan Hare Majesteit op paleis Soestdijk. Van deze gelegenheid heeft zij gebruik gemaakt om, vergezeld van haar zoon Elliot, twee kleinkinderen en de Amerikaanse ambassadeur op 20 juni Oud Vossemeer met een bezoek te vereren. Met een diep respect, doch ook met enige trots is zij er ontvangen door het gemeentebestuur van Oud Vossemeer en door de raad van beheer van de ambachtsheerlijkheid. Met veel interesse bezichtigde zij het “Huize Rosevelt” en het ambachtsherenhuis. Zij maakte kennis met plm. 50 Nederlandse naamgenoten, voor het merendeel afkomstig uit Zeeuws-Vlaanderen.

22. Hendricus van ’t Rosevelt, 1690 - 1706 Tijdens de vergadering van 1690, nog door zijn vader genotuleerd, werd hij tot rentmeester benoemd. 45 Uit dezelfde resolutie blijkt, dat Marijnus van ’t Rosevelt bij zijn indiensttreding een som van 200 pond Vlaams had betaald, waardoor hij voor zichzelf en zijn zoon gedurende hun leven kwijtschelding van de jaarlijkse recognitie had verkregen. In werkelijkheid had hij het ambt gekocht, al wordt in de rekening door een boekhoudkundig foefje een andere bestemming of aanleiding voor die 200 pond gegeven. Deze rentmeester kreeg later opdracht, zoveel mogelijk op alle bod- en rechtdagen aanwezig te zijn om toe te zien, dat niemand ongelijk of “onjustitie” geschiedde. 46

Mr. Hendrik van Rosevelt, rentmeester van Vossemeer Mr. Hendrik van Rosevelt, rentmeester van Vossemeer, later secretaris van Rotterdam, 1670 - 1728. Foto: Iconografisch bureau.

23. Pieter van ’t Rosevelt, 1707 – 1732 Hendrik van ’t Rosevelt vroeg in 1707 ontslag en stelde zijn broer Pieter als opvolger voor. 47 De heren benoemden hem op dezelfde voorwaarden en emolumenten. Hij moest elk jaar ciering (bestek en begroting) opmaken van alles wat er te herstellen was. 48 Ook werd hem opgedragen een inventaris op te maken en bij te houden van alle charters en stukken. 49 Deze rentmeester stelde in 1730 de heren voor een geheel nieuw probleem. 50 Hij had een 24e aandeel in de heerlijkheid aangekocht en vroeg als ambachtsheer te worden toegelaten. De aanwezige heren stemden in zijn toelating toe, doch vroegen zich wel af, of deze functie te verenigen was met het rentmeesterschap. Hierover zou de mening van de andere heren gevraagd worden. Voordat het tot een principiële uitspraak kwam, overleed Pieter van ’t Rosevelt.

24. Nicolaas van Diest, 1732 In 1732 werd Nicolaas van Diest benoemd. 51 Hij had tot dan toe als secretaris van Vossemeer gefungeerd, van welk ambt hij afstand deed. Er werd een uitvoerige instructie opgesteld. Zijn vast salaris bedroeg 5 procent van de ontvangsten; daarnaast kreeg hij nog procenten van verschillende posten van inkomst; bovendien was hem de vrije jacht in Vossemeer toegestaan. Van Diest heeft maar kort van zijn ambt geprofiteerd; hij is zelfs niet aan het afleggen van zijn eerste rekening toegekomen.

25. Mr. Jan Willem van Rosevelt, 1733 – 1746 Deze is in 1733 aangesteld, op dezelfde voorwaarden en instructies als zijn voorganger. 52 Hij werd in 1746 benoemd tot gecommitteerde raad der Staten van Zeeland; als rentmeester van Vossemeer nam hij ontslag, wijl hij beide functies niet kon blijven uitoefenen. Bij zijn ontslagaanvrage verzocht hij tevens om terugbetaling van de recognitie van fl. 10.000,- die hij voor het ambt betaald had. Merkwaardigerwijs is hiervan niets te vinden bij zijn aanstelling. Het verzoek om ontslag werd toegestaan. 53 De kwestie van de terugbetaling der recognitie werd door de nieuwe rentmeester geregeld; hij nam op zich deze aan Van Rosevelt terug te betalen.

26. Gerrit ten Hage, 1746 – 1756 Bij diens aanstelling is een geheel nieuw financieel accoord gemaakt tussen de heren en de rentmeester. 54 Vooreerst moest hij aan de vorige rentmeester terstond de fl. 10.000,- recognitie terugbetalen. Als ontvangloon zou hij de eerste 10 jaren 1000 gulden per jaar genieten; daarnaast werden de andere gebruikelijke procenten van bepaalde posten vastgesteld. Mocht hij binnen 5 jaren overlijden, dan zouden de heren aan de erfgenamen 500 gulden uitkeren; daarna 3000 gulden. Na tien jaren zou het ambt aan de heren terugvallen; dan kon Ten Hage het verder vervullen, indien hij wilde, tegen het vroegere ontvangloon van 5 procent der inkomsten. Verder besloten de heren, dat na het overlijden van Ten Hage het rentmeesterschap niet meer verkocht zou worden “op een recognitie in gelde, te verdelen bij de respectieve heren ten tijde der begevinge tegenwoordig zijnde, gelijk nu sedert vele jaren is geschied”, maar uitsluitend tegen een jaarlijks ontvangloon. Het verkopen van het ambt schijnt derhalve niet de gehele ambachtsheerlijkheid ten goede te zijn gekomen, doch enkel de aanwezigen of de stemgerechtigde leden. De koopsommen treft men dan ook niet in de rekeningen aan. Toen de termijn van tien jaren verstrijken zou, benoemden de heren een commissie uit hun midden, om een voorstel te doen, op welke voorwaarden zij het ambt verder moesten verlenen. 55 Gerrit Ten Hage had laten weten, dat hij wel genegen was tegen een behoorlijke gage aan te blijven. Doch vóórdat de beslissing viel, werd hij in de magistraat van Tholen benoemd. Hij gaf daarom te kennen, dat hij tegen de terugbetaling van zijn recognitie het ambt zou laten schieten. De heren kenden hem een schadeloosstelling toe van 6.000 gulden. Gerrit Ten Hage had gedurende zijn rentmeesterschap zijn licht wél opgestoken. In 1759 kocht hij een aandeel in de heerlijkheid aan.

27. Adriaan Catshoek, 1756 – 1793 In 1756 werd Adriaan Catshoek benoemd, die als eerste opdracht kreeg persoonlijk de 6000 gulden aan Ten Hage uit te keren. 56 Bovendien moest hij in zijn eerste rekening een post van 2600 gulden (zonder ontvang!) opnemen als een recognitie, om deze met 400 gulden uit de kas te bestemmen als koopsom van de tienden van wijlen Johan Jacob van Vrijberghe. Het is wel waar, zeggen de heren in dezelfde resolutie, dat wij besloten hebben het ambt niet meer te verkopen, doch in dit geval was er in verband met de terugbetaling aan Ten Hage niet aan te ontkomen; in de toekomst zal het niet meer gebeuren. De nieuwe instructie was zo uitvoerig en gedetailleerd uitgewerkt, dat zij vele bladzijden in het resolutieboek vult. In 1770 is de rentmeester tevens tot baljuw en dijkgraaf aangesteld. 57 Daar hij al lang ziek was, vroeg Catshoek in 1780 om zijn zoon Marijnus Anthony als zijn adjunct te mogen nemen. 58 De heren stonden dit toe, op voorwaarde, dat het voor zijn eigen rekening geschiedde. Uit hetzelfde jaar dagtekent een acte van borgtocht, voor Adriaan Catshoek gesteld door Jacob Hendrik Verkouteren te Geertruidenberg. 59 In 1785 mocht de rentmeester zijn zoon Willem Pieter als adjunct nemen, 60 voor wie hij in 1788 de toezegging verkreeg, dat deze hem zou opvolgen. 61 De nieuwe rentmeester zou een jaarlijkse recognitie van 83 pond Vlaams te betalen hebben en zich moeten gedragen naar de instructie van 1756. Adriaan Catshoek is op 23 januari 1794 overleden.

28. Willem Pieter Catshoek, 1794 – 1826 De zoon van de vorige rentmeester is in de vergadering van 1794 benoemd. 62 Voor schepenen van Vossemeer werd een acte van borgtocht gepasseerd door Levinus Catshoek, predikant te Scherpenisse, en Jacob Hendrik Verkouteren, secretaris van Geertruidenberg. 63 In 1805 vroeg hij aan de heren in Bergen op Zoom te mogen wonen. 64 Het was altijd gebruik geweest, dikwijls door de heren zelfs uitdrukkelijk verlangd, dat de rentmeester in Oud Vossemeer woonde. Catshoek was ziekelijk. Hij had veel dokters geraadpleegd, “die na het (schoon vruchteloos) toedienen van een enorme quantiteit geneesmiddelen” hem eindelijk eenparig verklaard hadden, dat hij verandering van grond en lucht nodig had. De man zag zijn toestand zeer donker in; op de vergadering nam hij alvast afscheid van de heren. Hij heeft nog ruim 20 jaren geleefd! Blijkens een later gegeven leed hij aan een podraga (jicht). Des te groter is onze bewondering voor deze rentmeester. Hij heeft, in een tijd van omwenteling en revolutie, de ambachtsheerlijkheid voortreffelijk gediend. Meermalen is hij tactisch doch zeer resoluut opgetreden tegen al te ver gaande eisen en bedreigingen van de “revolutionairen”. In 1811 klaagde hij bij de heren, dat zijn inkomsten sterk achteruit waren gegaan. 65 Hij vroeg ontheffing van de jaarlijkse recognitie van 83 pond. Dit werd hem toegestaan, terwijl zij voor het vervolg van 500 op 200 gulden per jaar zou worden teruggebracht. 66 In 1817 blijkt de ambachtsheerlijkheid zo “vernederlandst” te zijn, dat de heren hem opdroegen zijn rekening voortaan in guldens te stellen in plaats van ponden, schellingen en groten Vlaams. 67 Catshoek vroeg in 1820 zijn zoon Willem Plevier als adjunct te mogen nemen. 68 Dit werd eerst aangehouden, doch in 1821 toegestaan. De adjunct moest echter elk jaar continuatie vragen en de heren wilden zich beslist niet binden tot een volgende benoeming. 69 Kort tevoren had de rentmeester een ongeluk gehad, zodat het hem vrijwel onmogelijk was, het ambt persoonlijk waar te nemen. In 1824 diende hij een uitvoerige memorie in over zijn salaris. Door allerlei omstandigheden, niet in het minst door de veranderingen in de staat van de ambachtsheerlijkheid, was zijn inkomen na 1810 aanzienlijk gedaald. Aan de hand van zijn berekeningen stelde Catshoek een vast salaris voor van 1900 gulden, wat gezien zijn becijferingen een redelijk en zelfs laag gemiddelde was. De heren besloten evenwel zijn gage op de oude voet te laten. Wel stonden zij hem tot 1830 de kwijtschelding van de jaarlijkse recognitie toe. 70 Catshoek overleed in 1827.

29. Willem Plevier Catshoek, 1827 – 1839 In de vergadering van 11 juni 1827 werd Willem Plevier Catshoek, die het ambt reeds enige maanden zelfstandig had waargenomen, definitief benoemd. 71 Een nieuwe instructie werd vastgesteld, waarin het accent tengevolge van de veranderde omstandigheden kwam te liggen op het goede beheer van de nog overgebleven rechten en eigendommen. Als salaris zou hij 5 procent van de ontvangsten genieten. Blijkens de nieuwe instructie moest de rentmeester in Oud Vossemeer wonen of in een dicht daarbij gelegen plaats. Het oude stringente voorschrift van het wonen te Oud Vossemeer werd nu wat soepeler gehanteerd. In 1834 is zijn borgtocht vastgesteld op fl. 10.000,- 72 die de rentmeester als een hypothecair verband op zijn hoeve te Maire op Zuid Beveland vestigde. 73 Willem Plevier Catshoek overleed op 22 october 1839.

30. Willem Johannes van Voorst Catshoek, 1840 – 1861 De raad van beheer droeg in 1839 het ambt voorlopig op aan Willem Johannes van Voorst Catshoek, secretaris van de stad Tholen. 74 In 1840 werd hij voor één jaar benoemd. 75 Daarna is hij elk jaar herbenoemd, tot de vergadering hem in 1860 oplegde een borgtocht van fl. 20.000,- te stellen. 76 Waarschijnlijk hield dit verband met een in het vooruitzicht gestelde vaste aanstelling. Sedert 1858 was deze rentmeester door reumatische koortsen gekweld. Hij had zonder veel resultaat de baden te Wiesbaden bezocht. Op 18 november 1860 had hij bovendien een ernstig ongeluk gehad, zodat hij sindsdien niets meer kon doen zonder hulp van anderen. Vanaf die dag heeft Jhr. F.Ch. de Casembroot het ambt waargenomen. In 1861 vroeg van Voorst Catshoek voor het leven benoemd te worden; in de gegeven omstandigheden gevoelde de vergadering daar niet veel voor. 78 De dag na de vergadering nam de rentmeester ontslag. Voordat de bijeengeroepen buitengewone vergadering van 7 october plaats vond, overleed hij op 4 october 1861. Deze ziekelijke en gebrekkige man is een der beste rentmeesters geweest, die de ambachtsheerlijkheid heeft gehad. Zijn financieel beheer getuigt van een grote accuratesse. Zijn rekeningen, uitgebracht aan de “Edele Hoge Heerschappen van Oud en Nieuw Vossemeer en Vrijberghe”, staan in een klaar schoonschrift gesteld. Ook aan zijn andere stukken kan men zien, dat de man zijn ambt niet als een taak of als een last heeft opgevat, doch dat hij er een persoonlijk plezier en bevrediging in gevonden heeft. Zijn grootste verdienste echter ligt in de bedijkingen, de cultivatie en het beheer van de Hollarepolder. Zonder de toenmalige heren tekort te doen, mag toch gezegd worden, dat deze polder voor een zeer groot deel zijn werk is. Tot de inpoldering heeft hij de voornaamste stoot gegeven. Toen de dijkage voltooid was en Van Voorst Catshoek tot beheerder was aangesteld, heeft hij zich doen kennen als een uitstekend landbouwdeskundige, die de nieuwe polder tot grote bloei heeft weten te brengen.

31. Jhr. Francois Charles de Casembroot, 1860 – 1872 Vóór de benoeming hield de vergadering zich uitvoerig bezig met de vraag, of een ambachtsheer tot rentmeester benoemd kon worden. Sommigen meenden van wél; doch de meerderheid was er sterk tegen gekant, zelfs als de heer zijn aandelen verkocht of ze tegen taxatie aan de heren overdroeg. Het zou onnodige complicaties geven, meende men, als een voorheen gelijkwaardige aandeelhouder nu in een ondergeschikte positie kwam. Dan zouden de juiste verhoudingen gemakkelijk in het gedrang komen. Deze discussie toont aan, dat één van de ambachtsheren het ambt geambieerd heeft; zijn naam is niet genoemd.

Bijgevolg werd Jhr. de Casembroot aangesteld op een borgtocht van fl. 20.000,- 79 De heren droegen hem tevens voor ter benoeming als beheerder van de Hollarepolder. Enkele jaren na zijn aanstelling werd hem verlof gegeven het rentmeesterschap van het kroondomein aan te nemen. 80Tijdens zijn rentmeesterschap werd de ambachtsheerlijkheid omgezet in een zedelijk lichaam. Ingevolge de nieuwe opzet is een nieuwe instructie voor de rentmeester vastgesteld. De Casembroot vroeg ontslag op 10 januari 1872. 81

32. Jhr. Samuël Otto de Casembroot, 1872 – 1878 Deze, een zoon van de voorgaande, was candidaat-notaris. Voor zijn benoeming nam de vergadering het besluit, dat de betrekkingen van rentmeester en notaris onverenigbaar waren. 82 Bij een eventuele benoeming tot notaris zou de nieuwe rentmeester moeten bedanken. Zover is het niet gekomen, daar de nieuwe rentmeester al op 6 juni 1878 overleed.

33. Adriaan de Graaff, 1879 – 1886 De gemeentesecretaris van Oud Vossemeer, in 1821 aldaar geboren, die voorheen kruidenier en winkelier was geweest, fungeerde in de vergadering van 1878 als waarnemend rentmeester. 83 Als gemeentesecretaris had hij zich bezig gehouden met het archief van de ambachtsheerlijkheid, weshalve hij de vergadering van de heren in 1879 als archivaris notuleerde. 84 In deze vergadering werd hij tijdelijk met het rentmeesterschap belast. In 1880 werd zijn waarneming bevestigd. 85 Het volgend jaar werd hij uit voordracht van twee personen als rentmeester aangesteld. 86 Hij overleed op 10 november 1886 en is door zijn zoon opgevolgd. Tot 1962 toe is het rentmeesterschap in de familie De Graaff gebleven.

34. Gerrit Johannis de Graaff, 1886 – 1911 De zoon van de voorgaande rentmeester was vanaf november 1886 met de waarneming belast, en werd in 1887 benoemd. 87 Hij kreeg tevens verlof zijn andere betrekkingen te blijven uitoefenen, namelijk: secretaris van Oud Vossemeer, ontvanger-griffier van het waterschap van Oud Vossemeer, secretaris-ontvanger van de calamiteuze polder van Scherpenisse, dijkgraaf van de Van Haaftenpolder en de Sluispolder, en rentmeester van freule Van der Heim. Hij had de heren toegezegd afstand te doen van de posten van brievengaarder en telefoonkantoorhouder. Hij overleed op 24 october 1911 . Aanvankelijk was J.H. de Graaff uit Rotterdam met de waarneming van het ambt belast. Deze berichtte echter in januari 1912, dat hij van de waarneming wilde afzien, omdat hij tegen zijn verwachting niet tot gemeentesecretaris van Oud Vossemeer was benoemd, waarna de broer van de overleden rentmeester met de waarneming werd belast, die deze trouwens al voor zijn neef had gedaan. 88

35. Jacob Marinus de Graaff, 1911 – 1921 Sinds november 1911 heeft de broer van de vorige rentmeester het ambt waargenomen. Hij is in de vergadering van 1912 aangesteld op een borgtocht van fl. 8000,-. 89 Per 1 juli 1921 heeft hij om gezondheidsredenen ontslag genomen. 90 Hij is opgevolgd door zijn zoon.

36. Gerrit Willem Jacobus de Graaff, 1921 – 1962 Reeds jaren vóór 1921 hielp hij zijn ziekelijke vader in het rentmeesterschap. De vergadering stelde zoveel vertrouwen in hem, dat zij hem in 1921 ondanks zijn jeugdige leeftijd tot rentmeester aanstelde. Hij fungeerde tevens als ontvanger-griffier van het waterschap van Oud Vossemeer, welke functie de heren hem toestonden te blijven vervullen. Nadat hij het ambt meer dan 40 jaren had bediend, overleed hij na een korte ziekte op 31 maart 1962. Zijn verdiensten zijn door de voorzitter van de raad van beheer kernachtig samengevat in deze woorden uit de vergadering van 1962: “Gedurende zijn rentmeesterschap is hij van onschatbare waarde geweest voor de ambachtsheerlijkheid. Hij oefende zijn functie met hart en ziel uit; werkte zich in alle voorkomende kwesties intensief in en wist, steunend op zijn rijke en lange ervaring, steeds een antwoord te geven op vragen, die in en buiten de vergadering door de ambachtsheren werden gesteld”. Het zou een manco zijn niet te vermelden, met welk een zorg deze rentmeester het archief van de ambachtsheerlijkheid heeft omringd. Uiteraard had hij de tijd en de opleiding niet, om er zich intensief mee bezig te houden, doch hij heeft het gekoesterd en bewaakt als een onvervangbare schat.

37. Willem Jan van Doorn, vanaf 1962 In de vergadering van 1962 is W.J. van Doorn, burgemeester van Poortvliet, tot rentmeester benoemd. 91

38. Daan van Doorn vanaf?





Home  About us  Family/Genealogy  Contact  Gastenboek Publications  What do we want  
The Dutch Van Rosevelt's  The American Ro(o)sevelt's  
Four Freedoms Speech  Pictures visit May 26, 2000  
Ambachtsheerlijkheid Oud- en Nieuw-Vossemeer en Vrijberghe  
History Oud-Vossemeer- dutch  
Oud Nieuws NL  1783-Ermerins over Ambachtsheerlijkheid en Vrijberghe Zeeland 1753 incl. stad en eiland Tholen  
History Nederland (dutch)

By Cees W. Boogaart,Oud-Vossemeer, NEDERLAND

All pictures copyrighted © 1996-2016 by CWB, and licensors. All rights reserved