Oud Vossemeer als plaats > eiland Tholen

Geschiedenis eiland tholen uit HOL1 - 1

(1/1)

webmaster:

VROEGSTE TIJDEN TOT OP IIET OVERLIJDEN

VAX GUY VAN BL01S. ANNO 1397.

De geschiedenis van Tholen hangt ten nauwste samen met die van Schakerloo; ja, ’t is eigenlijk niet mogelijk eene beschrijving der voormalige kleine veste te geven , zonder een overzicht van die zooveel oudere heerlijkheid te doen voorafgaan : de grond toch, waarop Tholen eenmaal verrees, maakte aanvankelijk deel uit van de aan- en opwassen van Schakerloo.

Er is alzoo een tijd geweest , waarin tusschen de Striene en de Eendracht geene andere bedijkte gronden bestonden dan Schakerloo, een poldereiland, dat, ofschoon door breede, veelal ondiepe wateren en uitgebreide slikken van liet hertogdom Brabant gescheiden , toch gerekend werd daartoe te belmoren. Het geldt hier bij den aanvang derhalve niet eene beschrijving van een deel van het aloude gewest, waartoe het lieden behoort, maar eene van een niet grooten polder, die met zijne blokvormige gedaante uit de droogvalling van een klein gedeelte der zoo uitgebreide wateren , moeren en slikken langs den zoom van het diluviale Toxandria is verkregen.

Zeker zijn al de waterrijke gronden aan deze zijde van de Striene eens als een aanhangsel van Noord-Brabant aangemerkt: Zeelands aloude grensregeling bevestigt dit. en vandaar, dat men Schakerloo in het grijze verleden, als een onderdeel van dit thans door de Eendracht bepaalde gewest vindt vermeld.

Van Schakerloo's eerste gesteldheid is evenwel weinig bekend. Men weet niet wanneer, evenmin als door vvien het in zijn tegenwoordigen vorm werd aangewonnen. Men kent zelfs zijne eerste bewoners niet. Alleen kan men te dien opzichte aannemen , dat ten gevolge van des eilands voormalige aardrijkskundige indeeling , zijne oudste bewoners eer tot de Toxandriërs dan tot de Friezen zullen zijn gerekend. Dan , eigenlijk toch nader aan Zeeland , dan aan Brabant palende , zullen zij met de laatsten veel gemeen hebben gehad , en het naast aan de waarheid komen wij ongetwijfeld, als wij ons die. eerste bevolking als gemengd, of uit Friezen en Toxandriërs bestaan hebbende , voorstellen.

Schakerloo, op zichzelf beschouwd, lag midden in zee: breede wateren en schier onoverzienbare slikken, thans herschapen in landouwen, omringden het. Aan den westkant werd het bespoeld door de Striene, oorspronkelijk een wijd en diep water, dat zijn aanvang nam in de Maas boven Ntrijen-monde, van daar in zuidwestelijke richting voortvloeide tussehen de Beierlanden en (Jromstryen en aan den zuidelijken kant van Poortvliet zich in de Schelde ontlastte, Aan den noordkant en aan de oostzijde lagen uitgebreide slikken , die doorsneden waren met kleine wateren, als de Ee, en de Mossel-Ee, zijnde de naam van het eerste nog bewaard gebleven in Eelioef en die van het laatste in Mosselhoek, een aanwas, langs de boorden daarvan opgekomen. Beide deze kleine wateren stonden in verband met de Striene, even als de Ver-Ee, en van al deze zijn nog meer of min belangrijke sporen aanwezig. Aan den zuidkant van het poldereiland vloeide de Schelde, de stroom, die alsnog de oude oevers der dijkage bepaalt, doch door geweldige overstroomingen in den loop der eeuwen belangrijk in vermogen is gewijzigd.

Meer in ’t bijzonder op de oude wateren, hierboven genoemd, onze aandacht vestigende, kunnen wij mededeelen, dat de naam

van de thans grootendeels ingepolderde Striene, zoowel in de Strijenpolders onder Tliolen en Poortvliet, als in de benaming van (Jrmnstrijen en Strijenmonde in Holland tot op den huidi-gen dag is bewaard gebleven, doch overigens is daarvan niet veel bekend, De Striene, of zooals oudtijds, de Struona, komt vroeg in geschriften voor. Zij wordt reeds vermeld in een brief van keizer Otto van 966, waarbij deze aan de Abdij van Nypels bevestigt de erfenis van de 11. Gbeiitruida , welke gezegd wordt gelegen te zijn in de Gouw Tassandria aan de Struona l).    O]) vele plaatsen is haar voormalige loop tegen

woordig zeer duister; in de polders Oud- en Nieuwsbrijen kan hare richting nog met voldoende zekerheid worden bepaald; doch verder op , in de later op hare bedding verkregen gronden van Vosmeer, en ter plaatse, waar zij door de //I-Ieenet recht” en vermoedelijk ook door den Quarenvliet gesneden werd, is hare strekking bijna onkenbaar geworden.

De Eeën, waarvan wij hierboven gewaagden, zijn thans onder geheel andere benamingen bekend. Het woord Ee, vroeger gebruikt voor water, heeft zelfs, zoo hier als elders, aanleiding gegeven tot zonderlinge afleidingen. Zoo komt de Ver- of Vrouwe-Ee in de 16e eeuw nog voor als de Ver-Ee; later noemde men haar de Vree , en eindelijk heette zij de Pree. De Behoeve, lang als zoodanig bekend, wordt eindelijk de Deehoef, en zoo ook was het met andere. In Zuid-Beveland, waar evenals hier, het land met vele Eeën was doorsneden , veranderde men in eene gemeente bij de invoering van bet nieuwe kadaster, zelfs eeue Ee, oudtijds //De Ee” kortweg in //de D.”

Van Vrouwe-Eeën zijn mij slechts twee voorbeelden in de geschiedenis bekend, als de Ver-Ee, onder Tliolen , waar men ook een Ver-Beliapolder aantreft, en de Ver-Nouts-Ee, later de Vernoudsce, in Zuid-Beveland. In Noord-Brabant had men 1 de Ver-Triezen vaart, doch ook daar vond men overigens tal van "Vers” tot nadere aanduiding van personen en zaken.

Ver-Belie of Belia , de vermoedelijke bezitster van den naar haar geheeten Verbeliepolder, wordt nog vermeld in de Domeinrekening van 1339. De kinderen van haar zoon Thünis beschikten over 74 gemeten eigendom in Poortvliet 1). Wie zij echter was, is onbekend. Yermoedelijk moet zij gehouden worden voor eene dochter van Hendrik van Brigdamme , en mitsdien voor iemand uit het geslacht der van Bousele's. Zij is gehuwd geweest met Simon , met iemand niet van adel, eene omstandigheid . ten gevolge waarvan hare kinderen altijd in betrekking tot haar, als de meerdere in rang , worden vermeld. Dat Belia eene vrouw van aanzienlijken huize moet zijn geweest, bewijst haar adellijke titel van Ver of Vrouwe, en opmerkelijk is het, dat het geslacht Hugiie , later IIuygens ,. hier zoo vroeg bekend , achter zijn eindelijk als zoodanig aangenomen naam, in de Middeleeuwen ook steeds //Beele” plaatste.

Van Ver Triezen of Vrouw Theresia is weinig bekend. Evenals Ver Belia was ook zij met een niet adellijken Simon gehuwd en had vier kinderen , namelijk Pieter , Jan , Bou-dewijn en Reylof , die allen als Ver Triezenszonen staan bekend. De kinderen van Pieter , zijnde Simon, Bort, Pieter , Willem , Pape , Jan , PIughe en Reylof , hadden in 1313 gezamenlijk slechts 253/4 Gemet eigendom ; het eenige kind van Jan, Bette genaamd, bezat eveneens 253/4 Gemet grond; de zonen van Boudewijn, zijnde Jan, Reylof, Thonis, Nicolaas , Hughe , Gilles en Simon beschikten insgelijks over 25 3/4 Gemet, en ook de kinderen van Reylof , als Simon , Bort, Hughelieve en Reylof waren met 253/4 Gemet bedeeld. Nog komt een Gilles voor ten name van wiens kinderen Reylof, Pieter en Jan 23y4 Gemet eigendom stond geboekt, doch deze bezaten nog 2y2 Gemet in Noord-Beve-land , weshalve ook deze familie over 25 >ji Gemet grond beschikte. Het blijkt evenwel niet , als zou ook Gilles een zoon van Ver. Triezen zijn geweest 2).

Het is ongeloofclijk , om hierop terug te komen , tot wat zonderlinge uitdrukkingen ook de kleinere ingepolderde Eeën hebben aanleiding gegeven. Zoo heeft de Nieuwe Ee, in 1318 nog zoo genoemd, onder Poortvliet, ons de benaming geschonken van de //Ennewee:” de Waard-Ee, onder Sint-Maartensdijk, gaf ons de //Warde'1 en de Ee , de oude grensscheiding tus-schen de heerlijkheden van Scherpenisse en Westkerke , vormde in later eeuw den Meweg, die aanvankelijk ook zoo voorkomt , doch welks benaming eindelijk op de officieele stukken werd omgezet in die van Eleweg en ten laatste zelfs veranderde in die van Neleweg.

De oorspronkelijke beteekenis van Ee is bewaard gebleven in Eeveld, waaronder men een moerassigen of waterachtigen , doch grootendeels begroeiden grond verstaat. De woorden Ver-Ee, Eehoef, Eeweg , Eebaas of Elenbaas, zoowel als Haast-Ee, Boer-Ee, Zieriks-Ee, Mossel-Ee, Vernouts-Ee, Winkel-Ee , Zoute-Ee, Duiven-Ee en zoo menig ander, wijzen allen op vroeger bestaan hebbende wateren of op daarvan afgeleide betrekkingen of beroepen.

De ringdijk, met welks op werking de gronden van Scha-kerloo zijn drooggevallen , is nog overal aanwezig. Zooals uit den aard der omstandigheden evenwel volgt, is zijn profiel op de eene plaats meer verloren gegaan dan op de andere, al naar gelang de onderscheidene vakken vroeger of later aan den aanloop der wateren zijn onttrokken. Ook heeft tot het groote verloop van sommige gedeelten in geen geringe mate bijgedragen het voortdurend gebruik daarvan als wegen , waardoor verstuiving zoozeer wordt bevorderd. Buiten de tegenwoordige waterkeering komt deze dijk , tot welks opwerking reeds over zoovele eeuwen besloten werd , het meest volledig voor tegenover de polders Oud- en Vieuw-Strijen , wuar hij als binnendijk in de 17e eeuw verzwaring onderging ; het meest daarentegen is deze in verloop bij het tegenwoordige gehucht Omlelund , dat gedeeltelijk op zijne kruin werd aangelegd. Op het eerste gedeelte bezit de dijk nog steeds een voldoend waterkeerend profiel; in het andere vak zijn maar geringe sporen van enne voormalige waterkeering aanwezig.

Wanneer deze gronden zijn bedijkt, is onbekend. Ja, zelfs valt de tijd daarvan slechts bij benadering op te geven. Dat de inpoldering reeds lang vóór 1212 , in welk jaar Schakerloo voor het eerst wordt vermeld , moet hebben plaats gehad, blijkt intusschen uit de omstandigheid, dat de buurt Oudeland, die ten deele op den zeedijk was gebouwd, te dien tijde reeds wordt vermeld. Maar al ontbrak ons ook dit bericht, het is uit alles duidelijk , dat de gronden van Schakerloo , lang vóór dien tijd aan den invloed van eb en vloed moeten zijn onttrokken geweest; hunne lage ligging in betrekking tot de landen in den Vijftienhonderdgemeten-polder en hunne uiterlijke en innerlijke gesteldheid, toonen dit overal voldoende aan. Of zij evenwel vóór hunne bedijking zijn bewoond geweest, zooals van de gronden in Scherpenisse met reden wordt vermoed, valt te betwijfelen. Oppervlakkig beschouwd, maken de kleine bergen in den polder dit bewonen vóór de bedijking wel eenigs-zins waarschijnlijk, doch bij nadere bezichtiging van deze hoogten valt terstond in het oog, dat zij toch gewrochten zijn van lateren tijd, dan waarin de eigenlijke vliedbergen, zooals wij die elders leeren kennen , zijn tot stand gekomen, en om dit duidelijk te maken , sta men bij die merkwaardige overblijfselen uit bet grijze verleden even stil.

Menigvuldig zijn in Zeeland de vliedbergen en onwillekeurig rijst bij de beschouwing daarvan bij ons de vraag, door wie en met welk oogmerk zijn die zonderlinge heuvelen met zoo beperkte kruinen tocli opgeworpen. Verschillend is het oordeel, dat, zoo over hun ontstaan, als over het oogmerk dat aan hunne opwerking ten grondslag lag, is geveld. De een houdt deze gewrochten werkelijk voor oude vliedbergen of vluchtheuvels; een ander wil hen aanzien voor de grondslagen van voormalige bebouwing, en een derde meent, dat men bij hunne beschouwing uitsluitend te denken hebbe aan offerplaatsen , op grond van hetgeen bij de wegruiming van enkele daarin is aangetroifen. Zoeken wij door die verschillende mee-ningen heen de zaak tot klaarheid te brengen.

De eigenlijke vliedbergen komen in Zeeland alleen voor in de oudste gedeelten van dat gewest, en dus niet in de polders, maar in de. waterschappen of wateringen : zij hebben den vorm eens afgeknotten kegels, zijn van 8 tot 12 meter hoog en liggen veelal onder steile taluds afgewerkt. De grondsoort, waaruit zij bestaan, gaat door tot op liet veen en komt overeen met die, welke thans onder onze kleioppervlakte verscholen ligt. De bergen rusten alzoo op den ouden bodem, die nadat deze hoogten daarop werden opgeworpen, door den invloed van het getij nog groote verandering heeft ondergaan. Uit alles is het duidelijk, dat de wateren rond den voet dier heuvelen aardstoffen hebben afgezet, en dat zij zijn gewrocht in tijden, toen de zee, door geenerlei dam of dijk beteugeld, over de ontzaglijke vlakten nog heerschappij voerde.

Maar is liet werkelijk ’t geval, vloeiden de gronden, waarop deze hoogten zijn opgeworpen, bij afwisseling onder, dan moeten zij ook stellig als wezenlijke vliedbergen of vluchtheuvels worden aangemerkt; men verdiepe zich dan niet in veelal zoo gewaagde gissingen tot bet vinden eener andere verklaring of oplossing voor bun ontstaan. Waar toeli vonden hunne opwer-pers, golfde de vloed in de gier- en stormgetijen tot tegen de beloopen dier heuvelen, elders eene veilige bergplaats, dan juist op de beperkte kruinen dier steile hoogten ? De groote vraag blijft derhalve, vloeiden de vlakten , waarop zij werden opgeworpen , tijdens hun aanvankelijk bestaan onder P Lagen de gronden alstoen aan den invloed van het getij nog blootgesteld P En dit nu is aan geen twijfel onderhevig. De opgewassen grondlagen rondom den voet der bergen , geheel verschillend van die, waaruit de bergen zelf zijn saamgesteld, leveren daarvoor liet onomstootelijk bewijs. Bovendien is de ondervloeiing van den grond tijdens hunne opwerking en lang daarna, ook geheel in overeenstemming met hetgeen Pm.viüs ons aangaande de gesteldheid dezer gewesten heeft achtergelaten ; want deze toch schrijft, dat de bewoners beschikten over heuvelen of kleine bergen, met handen gemaakt en met zoden gedekt, en dat deze strekten tot toevlucht bij overstrooming hunner erf. Treffend is hetgeen deze ooggetuige van den alouden toestand van het kustland der Cauchen ons bericht, en zijn merkwaardig verhaal mag voorzeker ook van toepassing worden geacht op deze in ons oog zoo onherbergzame streken. //Wij hebben,” zoo schrijft hij, //in het noorden ge-//zien de volken der Cauchen, die de groote en kleine bij-//genaamd worden. Over eene uitgestrekte ruimte breidt zich //de zee tweemaal in ieder etmaal uit, als het ware een eeu-//wigen strijd bewerkende in de natuur , zoodat het twij-//felachtig schijnt, of dit oord land is, dan een deel der //zee uitmaakt. Het is daar, waar het arme volk zijn verblijf //houdt op hooge aardhoopen of op hoogten met handen ge-//maakt; zijnde de bewoners aan scheepvarenden gelijk, als de //wateren de omliggende gronden bedekken, aan schipbreukelingen , als die wateren terug zijn geweken, en zij dan jacht //maken in den omtrek van hunne hutten op de visschen, die //met de zee terugwijken. Zij hebben geen vee, geen melk tot //voedsel, zooals hunne aangrenzende landgenooten; geen wild //zelfs hebben zij te bevechten, daar er ook geen enkele struik «zelfs wordt gevonden. Van zeewier en moerasbies maken zij //touwwerk voor hunne vischnetten, door middel van de aarde «met de handen zelve verzameld, en door den wind. meer dan //door de zon gedroogd, koken zij hunne spijzen en verwarmen //zij hun door den noordenwind verkleumd lijf.”

Ziedaar eene treffende schildering van den toestand onzer aloude wad- of schoTbewoners; eene schildering die, werden de

tegenwoordige gorzen bewoond, zonder eenige omkading, ook voor onze dagen geldend zon zijn. Geenerlei houtgewas, geen riet, geen andere plantengroei dan die der statige lamsooren en van het sekvormige haargras, vertoonde zich op die naakte, eenzame en allerwegen met kreken doorsneden vlakten. En, schoon men mag veronderstellen, dat die schorren reeds tot op de hoogte van het destijds heerschende hoogwater lagen opgewassen, toch vloeiden zij, evenals onze gorzen, van tijd tot tijd onder.

Men vortne zich van die ondervloeiing echter geen te groot denkbeeld, want in dit lang verleden, toen nog geenerlei bedijking had plaats gehad, maar het opkomend getij zich over alle vlakten of het geheele gewest kon verspreiden, moet, ook al neemt men vermogende Scheldemonden aan, de rijzing van den vloed uiterst gering zijn geweest, ’t Ls bovendien bekend, dat de zeegaten in dien tijd veel minder vermogend waren dan thans, en dit tevens in aanmerking nemende, kan het niemand bevreemden , dat bij zoodanigen toestand de zee zich maar zelden hoog boven de begroeide en tot woonplaats gekozen vlakten kon verheffen.

Geheel Zeeland was aanvankelijk een groote boezem; de begroeide gronden vormden boezemland. Het was de groote ruimte , die door eene zelfde hoeveelheid water, welke daarop door den vloed in zekere tijdruimte werd gebracht, de waterspiegel minder deed rijzen. Eerst later, toen door de omkading van aanzienlijke gedeelten, eene betrekkelijk groote oppervlakte aan dien zoo uitgestrekten boezem was onttrokken, steeg de vloed en deze bleef klimmen , al naar gelang men met de inpolderingen voortging.

l)e vliedbergen zijn dus aangelegd, lang nadat de zee den weligen plantengroei, de eeuwenoude wildernissen van den zoetwaterstand, had verwoest; nadat de zeewateren reeds eene aanzienlijke kleilaag op de tot veen vergane gewassen had afgezet ; zij zijn gemaakt in dien tijd, waarin de vloed nog in geringe mate werkzaam was de kleilaag te verzwaren, en toen geen struik- of boomgewas op den zouten bodem tieren kon , maar de derrie, door Plinius voor aarde aangezien , moest worden uitgegraven tot verkrijging van brandstol' voor de schier van alles verstoken inwoners.

Zooals hierboven door Plinius zoo treilend is geschetst, was ook de toestand der eerste bewoners van het oude »Scar-penesse en Scoontorpe," waar thans dein, doch eertijds twee dusdanig oude gewrochten, als waarvan de liomcinsche geschiedschrijver gewaagt, werden aangetroffen. Daar hebben, van alles en allen afgezonderd, ook eenmaal inenschen gewoond, onder omstandigheden, als wij hierboven zoo naar waarheid geteekend zagen. Zij beschikten over uitgebreide //nessen,"' en hunne begroeide gronden, slechts in het giertij door het water beloopen, lagen door onoverzienbare slik- en watervlakken ingesloten. Ternauwernood hebben zij de oude duinen van Toxandrië bij volle zee over den gladden waterspiegel heen zien blikken; over de Schelde zagen zij de grauwe toppen der Wemeldingsohe bergen zich boven de wateren verhellen, maar overigens waren het overal eentonige vlakten tot aan de verst verwijderde oevers aan den blauwen gezichteinder. Op die eenzame streken heersehte eene diepe stilte, tegelijk met eene onbeperkte vrijheid, waarin men zich, ook bij gemis van zooveel andere zaken, verheugde.

Stallen of stellen hadden de bewoners niet noodig, want, zegt, Plinius zij hadden geen vee. Hoe ook zou het vee tot zoo afgezonderde vlakten ooit toegang hebben verkregen ? En zoo dit daarop al eenmaal langs ons onbekende wegen mocht zijn verdwaald geraakt, hoe zou het op zoo onherbergzame oorden zijn bestaan hebben kunnen voortsleepen ? Waar zou het zich hebben opgehouden bij eenige verhelïing der zee, waardoor die vlakten ondervloeiden? Waarmede zou het in den winter, waarin alle grasgroei op zoute gronden als het ware wegsterft, zich hebben moeten voeden? Neen, zij hadden geen vee, zegt de oude schrijver, en hij heeft dit goed afgezien; zij konden het niet hebben. Ieder, die onze zoute , buitendij ksche grondeu kent, is er ten volle van overtuigd , dat de schildering door den kundigen Plinius hier gegeven, in verband met den tijd, waarin hij ze deed , juist is; alles , wat hij beschreef, is aan de werkelijkheid ontleend.

Welk gezicht van grootheid moeten die uitgebreide vlakten bij afwisseling van zomer en winter, van stilte en storm, hebben opgeleverd? In den zomer bij zonneschijn, overal jeugdig groen met wonderlijk getinte en zacht afdalende slikken, overal zacht vlietende stroomen tot aan- en afvoer van water langs kronkelende kreken, en in de verte, op afgezonderde plekken, overal groepeerend zeegevogelte, wachtend op de komst of den afloop van het altoos bewegelijke getij ; in den winter, bij liet zacht bleeke lielit der maan , overal hetzelfde vrije uitzicht, maar overal verstorven groen , overal stroomen met drijvend, en lage vlakten met aan den grond gevallen ijs; en bij storm , in de donkere nachten , overal het gieren van den wind over de onbeschutte vlakten en van alle kanten samenvloeiing van onstuimige wateren; ziedaar, wat de bewoners van lmnne eenzame hoogten te aanschouwen, te hooren en te ondervinden kregen.

Met te vogelen en te visschen voorzag men in zijne eenvoudige behoeften; de grond, geheel aan ’t spel van eb en vloed overgelaten, vertegenwoordigde nog geen kapitaal. Men beschikte daarover naar welgevallen ; hij behoorde allen of niemand toe. Men kende geen weelde, maar gelukkig in zekeren zin, ook geen ellende. Tegen de barheid, de guurheid en zoo velerlei andere zaken bestand; onbekend met hetgeen de meerdere beschaving later den stervelingen heeft opgedrongen , gevoelde men het gemis daarvan ook niet. Maar keeren wij na deze uitweiding terug tot ons onderwerp.

Velen meenen, dat de vliedbergen na de bedijking der gronden zijn opgeworpen. Dit is evenwel niet het geval. De aanslibbing der daarvoor noodzakelijk geweest zijnde vergra-vingen , bewijst, zeiden wij, het tegendeel. Bovendien zou bij een bedijkten toestand geen behoefte hebben bestaan aan vliedbergen; want bij den aanvang van ons dijkwezen wist inen liet, hoe eenvoudig men zich de aloude schorbewoners ook moge voorstellen, zeer goed, hoe hoog het getij, zelfs door hevige stormwinden opgejaagd, zich verheffen kon, en in verband met die bekende verheffing werden de hoogten der eerste dijken of wallen wel degelijk geregeld. De vele overstroomingen van later dagen, waren het gevolg van gansch veranderde omstandigheden, door de vele inpolderingen in de Middeleeuwen veroorzaakt a).

Behalve de vliedbergen treft men evenwel ook andere hoogten aan, echter gansch verschillend van de oude bergen, van welke Plinius gewaagt, en van welke men o. a. alsnog één aantreft in het tot zoo grijze verleden opklimmend Scherpenisse. ’t Zijn de eertijds bij de herders zoo algemeen bekend geweest zijnde stal- of stelbergen.

Stelbergen kregen eerst reden van bestaan, toen men de oude, eerst in beslag genomen gronden had bedijkt; toen men sinds lang over vee beschikte, dat op de ondertusschen ontstane aanwassen langs de oude wateringen werd geweid. Ja, toen die nieuwe aanwassen in omvang waren toegenomen, toen men met het grazende vee tot op groote afstanden van de eenzame kusten afdwaalde, toen het niet altoos mogelijk was bij het haastig wassende getij door de volgevloeide kreken en geulen de zeedijken met de kudden te bereiken, en toen derhalve de behoefte zich deed gevoelen aan veilige rust- en bergplaatsen voor het vee, totdat de wateren waren teruggeweken, toen begon men op die grazige buitengronden hoogten te maken, die ons de zoo bekende stelbergen hebben opgeleverd.

Maar stelbergen, uitsluitend voor bergplaatsen van het vee opgeworpen, hadden een gansch anderen vorm dan onze oude en toch ook beperkte vliedbergen. Het vee moest daarop

’) In een op het getouw gezette beschrijving van Schouwen en Noord3 Beveland, zullen wij gelegenheid hebben, dat onderwerp meer uitvoerig te behandelen.

tegenover den vloed niet alleen veilig zijn, het moest bij het verblijf daarop ook voorzien kunnen worden van drinkwater, en dit inzonderheid, het aanwezig zijn van water, was oorzaak, dat zij alleen daar konden worden opgeworpen, waar dit met genoegzame zekerheid bij de ingraving te verwachten was.

Voor den aanleg van stelbergen werd daarom immer gelet op den aard of de gesteldheid der gronden, en liet deze zich aanzien, als gunstig voor het beoogde doel, dan werd eene ronde, diepe put gegraven met flauwe glooiingen, rond welken een ringdijk werd opgeworpen met grond, die aan deze ingraving en overigens aan de omliggende schorren werd ontleend. Een zoodanige ringdijk vormde dan den berg, die de gedaante had van een afgeknotten kegel met een kegel van binnen; het was een holle stelle en op de rondgaande kruin trof men doorgaans nevens de stalling voor de schapen, eene stulp aan, waarin de van alles, behalve van zijn vee en getrouwen hond verlaten herder, bij het barre weder of in 'den donkeren nacht de slepende uren doorbracht.

De vergravingen rond de stelbergen geraakten na eenig tijdsverloop weder onzichtbaar; de getijen zetten ook daarin nieuwe kleistoffen af en eifenden de vlakken, alsof daarin nooit vergravingen hadden plaats gehad. Zoodanige bergen trof men weleer aan in of bij de polders Van Haaften, Stavenisse, Anna Jacoba, Wilhelmina, Leendert-Abraham en in zoo menig andere 1).

De vergravingen voor den aanleg van de stelbergen zijn dus op gelijke wijze verebd of door de natuur aangeheeld, als die voor de aloude vliedbergen; doch wat betreft den aanleg, den vorm en de bestemming van die hoogten, deze was gansch verschillend van die der vluchtheuvels. 4 3

Nu bestaat evenwel nog eene derde soort van hoogten, van welke het moeielijker is de strekking te ontraadselen. Deze zijn die, welke geene kenmerken bezitten van ooit tot stolbergen te hebben gediend, daar zij geene waterputten bevatten en hunne kruinen ook beperkt en bovendien gesloten zijn. Ook is het duidelijk, dat zij niet als vliedbergen zijn opgeworpen, aangezien schier bij alle de daarvoor noodig geweest zijnde vergravingen nog duidelijk zichtbaar zijn. De aardsteden , waaruit zij bestaan, stemmen genoegzaam overeen met de bovenste grondlagen van hare omgeving en deze zouden waarschijnlijk van die der bouwlanden niet te onderscheiden zijn, ware ver-weering en een steeds watervrije toestand daarop niet van invloed geweest. Voor zooverre deze hoogten geene oude molenbergen zijn, zijn wij verlegen, waarvoor haar te houden. Waarlijk, op alles lettende, en rekening houdende met hetgeen anderen daaromtrent hebben opgemerkt, zijn wij geneigd bij de beschouwing van deze te denken aan Germaansche offerhoogten: en .te gereeder doen wij dit, wijl. het zeker is, dat de polders, waarin zij worden aangetroffen, ook vóór de invoering van het Christendom in bedijkten staat zijn bewoond geweest, ’t ls bovendien opmerkelijk, vliedbergen vindt men uitsluitend in wateringen; de hier bedoelde hoogten treft men daarentegen nooit in wateringen, maar, en ook dit is opmerkelijk, alleen in oude, als poldereilanden gevolgde bedijkingen aan.

Dit laatste wekt wel eenigszins het vermoeden, dat de nazaten deT aloude schorbewoners de vliedbergen ook als offerhoogten hebben gebruikt; en dat, toen geene bewoning van onbedijkte, gronden meer plaats vond, toen de bewoners van opnieuw aan de zee onttrokken gorzen hunne hoogten uitsluitend gebruikten als offerplaatsen, zij die ook niet meer van zulke afmetingen maakten, als de eerste, die tegelijk voor lijfsbehoud werden bestemd.

Maar zijn nu de Schakerloosche hoogten vlied- of stelbergen ? Neen, geen van beiden. liet zijn hoogten als wij laatst bedoelden , of wel, het zijn voormalige molenwerven, en vandaar onze twijfel, of dit oord ook vóór de bedijking is bewoond geweest.

Dat Schakerloo evenwel tot de oude polders moet gerekend worden, is buiten kijf: ook de breed nitgewerkte terp, waarop liet voormalige kerkdorp, het tegenwoordige Oudeland, is gebouwd , pleit daarvoor. Dit bouwen toch op kunstmatige hoogten, wijst terug op tijden, waarin men of met liet opgezette polderwater, of met de zeevloeden nog vaak te kampen had: in het eene geval denlce men bij hare opwerking aan een tijdperk, waarin de waterlossing nog hoogst gebrekkig was, zooals in den aanvang van ons polderwezen, toen de dijken daarvoor herhaaldelijk werden doorgestoken; in liet andere geval zweeft, bij de minste opzetting der zee in de Middeleeuwen, ons een zoo goed, als weder onbedijkte staat voor den geest.

Ook vindt men nog een anderen meer afdoenden grond tot staving van den lioogen ouderdom van Schakerloo. Er bestaan alsnog bescheiden uit de jaren 968 en 976, waaruit blijkt, dat de //Pagus Scaldis’’ bestond uit Schouwen, uit een aanzienlijk gedeelte van het vaste land met Berghis en uit de daartussoheu gelegen eilanden Sprange, Waterange en Steninge. Tevens werd daartoe gerekend een tol met kerk, of zooals het later bij herhaling heet, een Papingalant met kerk. Gaat men nu na, dat, vóór Tholen bestond, de tol aan deze zijde van de Schelde, van uit Schakerloo werd bediend, dan wordt het duidelijk, dat onder dit Papingaland met kerk, het oude land van Schakerloo met zijn kerkstaat moet worden verstaan.

Zie, bij den aanvang der Middeleeuwen, toen geheel Zeeland beoosten Scheld met eene strook van het vaste land nog eene Gouw vormde, bestond de polder reeds, en zijn hooge ouderdom wordt bevestigd door den aard en de gesteldheid zijner gronden.

Wat de naam Schakerloo beteekent, is moeielijk uit te maken. Sommigen schrijven dien als afgeleid van een groot boscli, dat wegens zijne dicht- of ondoordringbaarheid aanleiding zou gegeven hebben tot stelen of schaken. Het was het Schakerbosch , dat later bij het verdwijnen slechts naakten poldergrond achterliet, Maar hieromtrent merke men op, dat de grond van Scliakerloo, althans voor verreweg het grootste deel, te eenen-male ongeschikt is voor den groei van houtgewas; en is dit tegenwoordig het geval, in voorgaande eeuwen , toen de water-lossing gebrekkiger en de overstroomingen minder zeldzaam waren, zal die ongeschiktheid nog grooter zijn geweest. Seha-kerloo, tegenwoordig tot boseh te bestemmen, zou gelijk stann met plantsoen te willen aanleggen in de Weihoeken onder Poortvliet, in bet Derrieveld onder Sint-Maartensdijk, of in het Schoondorp van Scherpenisse, als zijnde in dat opzicht alle gelijksoortige streken, waarvan de meestal gebrekkige kleilaag onmiddellijk op het door bet zeewater bespoelde en daarom altijd ziltige veen, is afgezet. Wel kan hier bij den aan vang van ons hedendaagsch tijdperk een uitgebreid boseh aanwezig zijn geweest; de doorgaande, zware veenlaag onder de kleiopper-vlakte pleit daarvoor. Maar, waar ergens in de oude gronden van Zeeland treft men die veenlaag niet aan? Was het, toen het haf, waarin ons gewest ontstond, en dit door een aaneengesloten duinenrij van den Oceaan was afgesloten. niet overal boseh, water en moeras? Doch ’t is niet waarschijnlijk, dat de naam van die ontzaglijke wildernis, die alstoen overal bestond , op een klein gedeelte van den later daarop nedergelegden grond zou zijn overgegaan: eensdeels niet, omdat tusschen de verwoesting van dien alouden toestand door de zee, cn het daarop ontstaan van de kleilaag, ook blijkens de lichtste afzetting, een nog veel te groot tijdsverloop ligt; en anderdeels niet, omdat in dien haftoestand hier zich wel geene stervelingen zullen hebben opgehouden, om aan die eeuwenoude wildernissen eigenaardige of passende namen toe te kennen, die later, op daarop ontstane nieuwe toestanden, konden overgaan.

Loo beteekent volgens Bilde r,dij k hoogte, en of Schaker, zooals sommigen meenen, nu is afgeleid van Sacra en dit in den zin van heilig of ia dien van onheilig of gemeen moet worden opgevat, waag ik niet te beslissen. Evenmin kan met zekerheid worden nitgemaakt, of Schakerloo in de beteekenis van schaken

of wederrechtelijk nemen moet worden opgevat. In de onderscheidene beteekenissen de woorden samenvoegende, kan men bij de vermelding van Schakerloo derhalve even zoo goed denken aan de heilige, de gemeene of slechte, als aan de geroofde of de geschaakte hoogte, en afgaande op de gesteldheid van den poldergrond in de Middeleeuwen, toen deze dijkage bijzonder ziltig en mitsdien ook stellig zeer onvruchtbaar was, kan aan de uitdrukking slechte hoogte zelfs eenige bijzondere waarde worden toegekend.

Moet echter bij de vermelding van den naam meer aan een schaken of wederrechtelijk nemen worden gedacht, en hiertoe bestaat, blijkens het voorgaande ongetwijfeld ook wel eenige grond, dan is men geneigd het er voor te houden, dat het poldereiland, hetwelk aanvankelijk als het land der Papen stond beleend, op wederrechtelijke wijze den geestelijken of der Kerk is ontnomen.

Dr. Budding daarentegen houdt het er voor, dat Schakerloo is afgeleid van Sacred-lo, dat is gewijd, heilig water. Deze schrijver meent, dat loo in het algemeen water beteekent, wat hij met tal van bewijzen tracht te staven. Hij zegt ook, dat de looën in nauw verhand staan met den natuur- en waterdienst der oude Germanen en Batavieren.

Dat het dorp Oudeland of' Schakerloo aan een water lag, is uitgemaakt; de overblijfselen daarvan zijn nog aanwezig en vóór de bedijking van den polder Vijftienhonderdgemeten lag de grondslag der zuidelijke huizenrij zelfs onmiddellijk aan zee. In de nabijheid van Schakerloo had men bovendien een Deurloo, waaronder wij dan zeker de gronden over het water hebben te verstaan 1).

Dan, staan wij hierbij niet langer stil. Alleen zij van onze zijde nog opgemerkt, dat de naam loo dikwerf voorkomt, ook in ons gewest. Om hiervan enkele voorbeelden bij te brengen, deelen wij mede, dat een Deurloo wordt aangetroffen bij Yerseke;

') Dr. Budding, Verhandeling over het Westland.

%

hier had men niet alleen een Deurloo, maar ook een Maarloo, en te Scherpenisse bestond oudtijds, zoowel eene (ïroote, als eene Kleine Loo. bettende op de gesteldheid van hetgeen men niet lang geleden onder de benaming van loo verstond, is men geneigd, aan het woord liet denkbeeld of de beteekenis te hechten van doortocht, uitgang of verbinding , iets wat in overeenstemming is met hetgeen onze oude vletters met den naain van loo bestempelden, bij geval zij vergravingen tot stand brachten voor het bereiken van den meer verwijderden grond, wanneer deze langs de bevaarbare kreken was in beslag genomen.

In deze oude heerlijkheid trof men nevens Schakerloo of het Ondeland weleer nog een ander plaatsje, Westdorp geheeten, aan. Het lag in de belending, die ongetwijfeld liaar naam daaraan verschuldigd is, doch overigens is van dit dorpje niets bekend. De grond, waarop het eenmaal verrees, maakt nog altijd deel uit van den zoogenaamden „Hoek voor ’t Dorp.’’ Of het plaatsje ooit tot de hoogte van een kerkdorp is verheven geweest, is onbekend; want noch in officieele charters, noch in archiefstukken, wordt daarvan eenige melding gemaakt. Alleen blijkt bij verricht wordende vergravingen, dat de grond tegenover de hofstede aldaar allerwegen is bebouwd geweest.

Schakerloo komt vroeg in geschriften voor. Het was, toen het geen deel meer uitmaakte van den Pagus Sealdis een afzonderlijk leen , waarover eenmaal ook de Hertogen van Brabant te beschikken hadden. Het had zijne leenheeren , die vermoedelijk op het dorp hun verblijf hielden; later maakte het land deel uit van de uitgebreide bezittingen van Godevaart , heer van Breda , die zijn vader onder den naam van Gode-vaart II in al diens goederen en waardigheden was opgevolgd. Eerst toen op Godevaart in 1212 het uitgebreide leen zijns vaders werd verleid, had de Hertog van Brabant Schakerloo met de helft in den Scheldetol aan het land van Breda toegevoegd. De Hertog zegt Schakerloo aan hen , die het te voren hadden , ontnomen te hebben , omdat zij zich schuldig hadden gemaakt aan gewelddadigheden tegen zijne onderdanen ,

zoo te land, als te water; ook de helft van de opbrengst van den tol was om gelijke redenen verbeurd en op Godevaaiit verleid.

De stukken , betredende deze aangelegenheid met aandacht lezende, blijkt dat door de voormalige Heeren van Scliakerloo verkeerdheden waren gepleegd in zake de vertolling , ten gevolge waarvan alsnu de strengste verbodsbepalingen bij de overdracht der goederen door den Heutog aan Godevaaiit werden gesteld. Hij toch zegt tegen den nieuwen leenheer, dat //wie //van de kooplieden weder wyn exegeert olfte in dancke ge-//o floreert, dien name, syn lichame zal onder ons macht zyn ven sonder hoop van restitutiën zal onterft worden. Ende die //coipman , die hem den wyn gesconcken olfte geolfreert heeft, //dat custbarste vat wyns , dat in 't scip wordt gevonden, sal //hy verliezen    Zie , deze bepalingen met aandacht lezende ,

merkt men terstond op, wat door de oude heeren van Scha-kerloo in zake de vertolling was geschied. Zij schijnen daarmede zelfs bijzonder vreemd te hebben omgesprongen , want blijkens het stuk , waaraan wij deze geschiedkundige bijzonderheden ontleenden, had, zoowel te water als te land , mishandeling van //’s Hertogen luden” plaats gegrepen. Ja, er moeten zware vergrijpen aan den dag zijn gebracht; anders toch zouden de schuldigen er bun leen niet tegelijk bij hebben ingeboet.

Wie de voormalige Heeren van Scliakerloo zijn geweest, wordt tot ons leedwezen in dit zoo merkwaardige document niet vermeld; alleen vindt men daarin nog als bijzonderheid medegedeeld, dat voor de vertolling elk zijn eigen vaartuig moest onderhouden, de Hertog en Godevaart; doch het tolgeld kon, zulks verkiezende, ook te lande worden geïnd; maar in zake de aloude heeren, die ten gevolge van grove vergrijpen hunne goederen en hun aandeel in den tol kwamen te verliezen, geen enkel woord.

Daar de Heeren van Scliakerloo tegelijk lieeren waren van 5

2.0

Ossendreeht, verneemt iaën toch iets nopens hen, want in een oorkonde van 1214 wordt nog van een Arnolu van Ossen-drecht gewag gemaakt l). Waarschijnlijk was het deze. wien de Hertog zijne bezittingen had ontnomen: bepaalde zekerheid hebben wij daaromtrent echter niet.

Uit den verleidbrief blijkt dat de vertelling alsnog plaats had op de Schelde; zij werd van Schakerloo bediend. Van Tholen wordt niet gesproken; maar daarvan moest niet alleen de grondslag worden gelegd, het erf, waarop het eenmaal zou verrijzen, maakte nog immer deel uit van de uitgebreide slikken en schorren, waarover bij stormweder de opgezette golven nog ongestoord henen rolden, doch over welker ontginning wellicht deze of gene reeds begon te peinzen.

Uit andere bescheiden toch vernemen wij, dat in Godevaart's tijd reeds aanzienlijke buitengronden langs de oostelijke kust van Schakerloo waren ontstaan, en ongetwijfeld was de Mossel-Ee, zoowel als menig andere geul, reeds toen aan 't verzanden. Maar met de indijking dier aanwassen moest Schakerloo of bet Oudeland, dat sinds lang tot een aanzienlijk kerkdorp was opgeklommen, van de zee worden afgesloten: de Mossel-Ee, het nog druk gebruikte vaarwater, waarlangs men zoowel naar do Schelde, als naar de Heenetrecht en den Quarenvliet toog, moest bij de inpoldering worden afgedamd. Ongetwijfeld zal die noodzakelijke afsluiting der Mossel-Ee, en de afzondering van het dorp van de zee, de bedijking van het reeds zoo grazige «Herderszoet” hebben vertraagd, doch bij het voortdurend verloop , waaraan die wateren leden, en bij liet steeds in omvang toenemen der door deze gevormde gorzen, nam het uitzicht op bedijking destijds bijzonder toe.

Tot Godevaart , als heer van Schakerloo terugkeerende , merken wij op , dat hij bij de aanvaarding van zijn uitgebreid leen, den Hertog plechtig had beloofd, dat hij en zijne erfgenamen met hunne kasteelen, mannen, landen en ambachts- 6 lieden hem voortaan «trouwelyck” zouden dienen; zijne ridders en twee honderd veertig mannen van de twaalf dorpen van het land van Breda hadden daarentegen verklaard, dat ingeval hij zijne beloften niet nakwam, zij den Hertog tegen hem zouden helpen , overal, waar zij konden. Onder hen , die den 1 Iertog dit beloofden , zullen waarschijnlijk geene edellieden of goede mannen van Scliakerloo zijn geweest: want, ofschoon Go de vaart wel als leenheer daarvan moet worden aangemerkt, verlieze men niet uit liet oog, dat deze heerlijkheid eerst nu aan liet uitgestrekte gebied van Breda was toegevoegd, en daarom niet zoo terstond als een deel daarvan is aangemerkt.

Godevaart 11 . de heer van Schakcrloo , was gehuwd met IjUtgaard , nicht des Hertogen van Brabant, bij welke hij drie zonen en twee dochters had. Zijn oudste zoon, mede Godevaart geheeten , volgde zijn vader in al diens waardigheden en bezittingen op; zijn tweede zoon, Gilles, werd heer van Allen en Hendrik , de jongste, koos den geestelijken stand. waarin hij voorkomt als deken van St. Maarten te Utrecht. Zijne, dochter Sophia is gehuwd met Raas , heer van Gaveren en Liedekerke , en Beatrix , zijne tweede dochter , werd de vrouw van Arnout van Wezemale.

Godevaart TT. stond op den 13en van Louwmaand 1214 nog als getuige over den brief bij welken Keizer Otto aan graaf Willem van Holland vergunt al de leenen, die diens voorzaten, de graven Floris en Dirk, bezeten hadden. In ’t jaar 1210 had hij aan de kerk van Tongerloo zekere hoeve in ’t Nieuweland onder Alfen geschonken; weinig tijds later verliet hij deze. wereld en werd in de Abdijkerk van Tongerloo begraven. Zijne weduwe Lutgaard schonk in grasmaand 1219 de kerk van St. Michiel te Antwerpen twaalf pond Vlaamsch , waarvoor zij eenige goederen , onder Vilvoorden gelegen, verbond. Zij gaf deze voor die dagen zoo aanzienlijke gift onder den last, om daarvoor op het Altaar van Onze Lieve Vrouwe, voor hetwelk ook zij hare laatste rustplaats koos, eene dage-lijkselie Mis te doen, //tot laeffenis der zielen van wijlen haren

man Godevaaut , van hare ouders, van Godevaart van Rhenen en van Giorard diens broedervan wien de goederen, zoo spreekt zij, op baar verstorven waren. De brief', waarbij zij een en ander bepaalde, was zoowel met het zegel van haar als met dat van haren oudsten zoon, Godevaart , bezegeld: bij was bovendien met toestemming van hare andere kinderen , Gilles , Hendrik , Sophia en Beatrix opgesteld en door den Hertog bekrachtigd.

Uit het bijgebrachte blijkt aan welke machtige heeren Schakerloo alsnu gekomen was; ook is het daaruit duidelijk , hoe te dien tijde deze heerlijkheid niet meer als een deel van Zeeland, maar als een leen van het Hertogdom werd aangemerkt. De redenen waarom Schakerloo sinds lang als een stuk van Brabant werd beschouwd, lag waarschijnlijk in het toenemend vermogen van de Striene in de lle en 12e eeuw. Van de oorspronkelijke of aloude Gouw Scaldis was in die tijden geene sprake meer. De Striene was, zoo op kerkelijk als wereldlijk gebied, de scheiding geworden tussclien de beide gewesten, en volgt men in de achtergelaten laagten de voormalige strekking van dien stroom door het tegenwoordige Noord-Brabant, dan wordt het ons recht duidelijk, waarom het later opgekomen Nieuw-Vosmeer tot in onze eeuw nog tot Zeeland kon worden gerekend.

Vrouw Ltjtgaard , die vóór haar verscheiden ook de eeuwige belangen harer afgestorven betrekkingen zoo zorgvuldig had geregeld, is zeker in of omtrent 1220 overleden, en ’t is opmerkelijk, juist te dien tijde kwam de helft van Schakerloo aan graaf Willem I. Deze vorst, zijne gemalin, Aleida van Gelee in 1218 verloren hebbende, huwde twee jaar later met de weduwe van Keizer Otto IV, met Maria , de oudste dochter van Hendrik I, hertog van Brabant. De helft van Schakerloo zal ongetwijfeld deel hebben uitgemaakt van haar huwelijksgoed.

De Hollandsche Graaf moest Schakerloo echter in leen houden van den Hertog , weshalve hij het geenszins mocht aanmerken als een vrij of allodiaal goed en het ook niet kon beschouwen als een deel van het gewest, waarover hij gezag voerde.

Godevaart lil had alzoo niet meer geheel, maar slechts de helft van dit land. Uf de Hollandsche Graaf ook een aandeel heeft ontvangen in den tol, is niet gebleken; waarschijnlijk is dat echter niet. Veeleer ligt liet vermoeden voor de hand, dat de eene helft daarvan gebleven is aan de lieeren van Breda, en de andere aan de Hertogen van Brabant, omdat ook later in hun naam de tol alhier gegeven werd.

Niet lang heeft de Hollandsche graaf de helft van Schakerloo in bezit gehad; hij overleed in 1222. Na zijn dood stond zijne weduwe eene gift van vijf pond af aan de abdij van Rijns-burg, tot rust zijner ziel, zooals uit den volgenden brief van graaf Floris IV van 18 Februari 1232 is na te gaan. Wil-lems zoon toch schreef; //Tck Floris, Grave van Hollandt, //doen een yegelyclc te kennen, die dit teghenwoordich ghe-//schrift willen sien, dat iele seker ende ghewis houde de dona-//tie, die vrouw Maria , eertyts Keyserinne ghegheven heeft aen //d'Abdisse ende convente van de H. Maria in Rinsburgh, te //weten vyf ponden jaerlyek, twee Pitanse der Jolfvrouwen, drie //ponden op den dach van St. Ponciaan, in de ziele-Misse van //goeder ghedaehtenisse myns vaders Willem , Grave van Hol-//landt ende sy sullen jaerlycx ontfanghen de voorseyde vyf //ponden in het Ambacht van Dordrecht, ’t welk in hot ghe-//meyn ghenoemt wort scrotambacht, met ghetuyghenisse der //teghenwoordige brieve. Ghegheven in ’t jaer der gratie //MCCXXXII tot Leyden den naesten Sondach naar St. Ma-//thysdach.” 5)

Navigatie

[0] Berichtenindex

Naar de volledige versie