Auteur Topic: Kerke polder  (gelezen 1270 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

Offline webmaster

  • Administrator
  • Full Member
  • *****
  • Berichten: 166
  • Geslacht: Man
  • local historian
  • -Locatie: Willem van Beierenstraat
Kerke polder
« Gepost op: juli 30, 2017, 11:09:40 pm »

Kerkepolder.

De gronden door welker bedijking de Kerkepolder is verkregen, lagen tegen den dijk van polder Oud-Vosmeer; zij waren van de schorren van den Broek gescheiden door het opengebleven deel van den Vosvliet, doch lagen overigens niet door belangrijke geulen of kreken gedeeld. Zelfs de Kerkekamer, een vliet, waardoor zij eertijds ook

(ia) Archief Tan Tilden.

{ij Zie bladzijde 665 van deze beschrijving.

van Oud-Vossemeer schenen te zijn gescheiden, was in ’t begin van de XVe eeuw reeds grootendeels verzand. Alleen de Vosvliet langs den Broekpolder, bleef voor later tijden nog altoos een min ol'meer belangrijk af te sluiten water, zooals uit hetgeen daarvan alsnog aanwezig is, ook kan worden afgeleid.

De hier omschreven gorzen maakten deel uit van het gebied in den koopbrief van 9 Februari '1414: want blijkens dat stuk werden aan de Heeren van Oud-Vossemeer nu ook blijkbaar in vrijen eigendom afgestaan, al de slijken, schorren en aanwassen gelegen binnen de volgende merken, als: „’t water van Vosvliet nelfens den Lande van den Broucke en de Uytgorssen daeraen gelegen; van daer in Merlo, van Mairlo in Greveninge, van Greveningen in Grenen; van Grenen in Strijen ; van Slrijen.de Vlyten langs in Couveringhe vaert; vandaer in Vertrysen vaert, en van daer over Hazers Ilille, streckende lancx den diepen van Eendrecht tot de Noordkeeten toe van der Tholen, ende alsoo voert omme lancx de vrijheyt van Vossemaer.” (a)

Elk der in 1410 genoemde aandeelhebbers van het te vormen ambacht ontving een gezegeld exemplaar van dit nieuwe en alsnu zoo nitgebreide verlei; doch hetgeen alsnu voor de uitbreiding van ’t gebied aan de Grafelijkheid is verstrekt, wordt niet in een bepaald bedrag uitgedrukt. De Graaf deelt alleen mede daarvoor thans te hebben ontvangen „in ons zelfs handen, zooveel dat het ons wel geneucht en schelden ze daer off quyt,” waaruit echter voldoende blijkt, dat ook dit gedeelte van het leen niet willekeurig is in beslag genomen, maar wettig is aangekocht. (b)

Zooals uit de bescheiden verder blijkt, had de uilgifte, hier bedoeld, wederom plaats ten name van zes deelge-nooten, namelijk van Jan de Bastaard van Blois, van Gerrit van Zijl, Helmich van Doornick, Pieter van Bolland, Jan Heerman en van Laurens van Overvest, zoodat vier als oude, en twee als nieuwe of ondertusscberi bijgekomen

(a) J. JSrmmns. Eenige Zeeuwsche oudheden uit echte stukke» opgehelderd en iu het licht gesteld. Deel II, bladz. 235.

(i) Ibid, bladz. 328.

leden van het uit te breiden ambacht kunnen worden aangemerkt.

De eerste koopbrief, namelijk die van 3 November 1-410, omvatte dus blijkbaar niets anders dan het in 1411 bedijkte gebied; de aankoop, bedoeld in den brief van 9 Februari 1414, omschrijft daarentegen al hetgeen, wat daarna onder de benaming van Oud- en NieuwVossemeer is tot stand gekomen.

De ontginning van een gedeelte van het laatstelijk verkregen gebied werd blijkbaar bespoedigd, daar reeds op 9 Februari 1415 vergunning tot bedijking werd verleend. (b) Deze werd alsnu door of vanwege Ambacbtsheeren verstrekt ; doch wanneer de drooglegging van een deel van het opnieuw verkregen erf heeft plaats gehad, wordt niet in geschrifte vermeld. Vermoedelijk heeft dit niet lang na 4415 en wel door de vorming van den thans bekenden ICerkepolder plaats gehad ; terwijl ook toen wel de noodige maatregelen zullen getroffen zijn voor den aanleg van het daarin te vestigen dorp.

De meening, als zou de brief van Gilles van Wissekerke, van 17 Juni 1433 op de gorzen, waaruit de ICerkepolder is gevormd, zien, komt mij niet waarschijnlijk voor. Deze toch bevat eene uitgifte voor het bedijken van een pol-■dertje, van welks oppervlakte het vierde Gemet vrij of vroon zou zijn, en aan die voorwaarde wordt in betrekking tot de verdeeling&van het erf in den Kerkepolder niet voldaan. Slechts Slabbecoorn, aanvankelijk 120 Gemeten groot, voldeed aan die bepaling; dit bevatte juist 30 Gemeten bedongen vroon, geldende ook hiér ongetwijfeld als koopprijs van den ingepolderden grond.

Is uit deze uitgebreide uitgifte van 1414 gevolgd de ICerkepolder, dan kan de bedijking daarvan, ook met het oog op den tijd noodig voor de verebbing der dijkputten, eerst in 1415 of weinig iijds daarna zijn uitgevoercl door den aanleg eens dijks van 3790 Meter lang. Deze sloot op het westelijke eind aan den polder Broek en op het oostelijke punt aan de waterlceering van Oud-Vossemeer aan. Hij is nog doorgaande aanwezig en vrij regelmatig van vorm, doch bezit voor diens [onderdeelen minder ruime afmetingen dan die van den voorgaanden polder.

üf de bedijking van den aanvang af onder hare tegenwoordige benaming als Kerkepolder is bekend geweest, laat zich niet denken. Voor de inpoldering, velkanting en indeeling van den drooggevallen grond, zijn zeker enkele jaren noodig geweest en eerst na het verrichten van dat een en ander of het eindigen der vrijheid, waarover de bedijkers hebben beschikt, zal met het stichten van een kerkgebouw een aanvang zijn gemaakt.

Vermoedelijk is de polder onder de benaming van Nieuw-Vossemeer totstand gekomen, zooals uit. enkele bescheiden ook nog schijnt te zijn af te leiden. In de kerkelijke rekening van Thólen over 1560/61 vindt men nog een post ter verantwoording van zekere inkomsten vanwege een Gemet 152 Roeden lands, gemeen liggende met Hendrik Calle. in den Stelhoek, eene hoeveelheid gronds, die kort daarna gezegd wordt als zijnde te liggen in Nieuw-Vossemeer, en over 152 Roeden deel uitmaakle van het perceel van Hendrik Struve. .De Stelhoek geldt thans als onderdeel. van den Kerkepolder, doch wrerd destijds beschouwd als. een.deel van Nieuw-Vossemeer.

Later, in de rekening van het Sacramentsgilde te Tholen van 1577/78 komt ook een post voor van ontvangen pacht van Willem Aerts vanwege een kwartier lands gelegen in den Schouwkensblok, in Oud-Vossemeer, welke eigendom wordt gezegd herkomstig te zijn van Aegje van Schouwen, de grootmoeder van Adriaan Hendrikss Struve.(a) De Schouwkensblok, thans deel uitmakende van den Kerkepolder, werd gezegd te behooren tot Oud-Vossemeer, doch zulks geschiedde stellig tot voorkoming van misverstand met het ondertusschen of in 1566 totstand gekomen Nieuw-Vossemeer aan den overkant van de Heenetrecht.

Ook blijkens de rekening van 1591 had Uornelis Jacobss Stoofman in pacht een Gemet met 162 Roeden in den

(a) Adriaan Hendriks? Struve, schepeu van Tholen van 1528'—15S9.

_______ ..... uit ie ureiaen ambacht kunnen worden

aangemerkt.

De eerste koopbrief, namelijk die van 3 November 1410, omvatte dus blijkbaar niets anders dan het in 1411 bedijkte gebied; de aankoop, bedoeld in den brief van 9 Februari 1414, omschrijft daarentegen al hetgeen, wat daarna onder de benaming van Oud- en NieuwVossemeer is tot stand gekomen.

De ontginning van een gedeelte van het laatstelijk verkregen gebied werd blijkbaar bespoedigd, daar reeds op 9 Februari 1415 vergunning tot bedijking werd verleend. (b) Deze werd alsnu door of vanwege Ambacbtsheeren verstrekt; doch wanneer de drooglegging van een deel van het opnieuw verkregen erl heeft plaats gehad, wordt niet in geschrifte vermeld. Vermoedelijk heeft dit niet lang na 1415 en wel door de vorming van den thans bekenden Kerkepolder plaats gehad ; terwijl ook toen wel de noodige maatregelen zullen getroffen zijn voor den aanleg van het daarin te vestigen dorp.

De meening, als zou de brief van Gilles van Wissekerke, van 17 Juni 1433 op de gorzen, waaruit de Kerkepolder is gevormd, zien, komt mij niet waarschijnlijk voor. Deze toch bevat ene uitgifte voor het bedijken van een poldertje, van welks oppervlakte het vierde Gemet vrij of vroon zou zijn, en' aan die voorwaarde wordt in betrekking tot de verdeeling van het erf in den Kerkepolder niet voldaan. Slechts Slabbecoorn, aanvankelijk 120 Gemeten groot, voldeed aan die bepaling; dit bevatte juist 30 Gemeten bedongen vroon, geldende ook hier ongetwijfeld als koopprijs van ingepolderden grond.

Is uit deze uitgebreide uitgifte van 1414 gevolgd de Kerkepolder, dan kan de bedijking daarvan, ook met het oog op den tijd noodig voor de verebbing der dijkputten, eerst iri 1415 of weinig tijds daarna zijn uitgevoerd door den aanleg eens dijks van 3790 Meter lang. Deze sloot op het westelijke eind aan den polder Broek en op het oostelijke punt aan de waterlceering van Oud-Vossemeer aan. Hij

is nog doorgaande aanwezig en vrij regelmatig van vorm, doch bezit voor diens 'onderdeelen minder ruime afmetingen dan die van den voorgaanden polder.

01 de bedijking van den aanvang af onder hare tegenwoordige benaming als Kerkepolder is bekend geweest, laai zich niet denken. Voor de inpoldering, velkanting en indeeling van den drooggevallen grond, zijn zeker enkele jaren noodig geweest en eerst na het verrichten van dat een en ander of het eindigen der vrijheid, waarover de bedijkers hebben beschikt, zal met het stichten van een kerkgebouw een aanvang zijn gemaakt.

Vermoedelijk is de polder onder de benaming van Nieuw-Vossemeer totstand gekomen, zooals uit. enkele bescheiden ook nog schijnt te zijn af te leiden. In de kerkelijke rekening van Tholen over 1560/61 vindt men nog een post ter verantwoording van zekere inkomsten vanwege een Gemet 152 Roeden lands, gemeen liggende met Hendrik Calle. in den Stelhoek, eene hoeveelheid gronds, die kort daarna gezegd wordt als zijnde te liggen in Nieuw-Vossemeer, en over 152 Roeden deel uit maakte van. het perceel van Hendrik Strnve. De Stelhoek geldt thans als onderdeel van den Kerkepolder, doch werd destijds beschouwd als een.deel van Nieuw-Vossemeer.

Later, in de rekening van het Sacramentsgilde te Tholen van 1577/78 komt ook een post voor van ontvangen pacht van Willem Aerts vanwege een kwartier lands gelegen in den Schouwkensblok, in Oud-Vossemeer, welke eigendom wordt gezegd herkomstig te zijn van Aegje van Schouwen, de grootmoeder van Adriaan Hendrikss Struve. (a) De Schouwkensblok, thans deel uitmakende van den Kerkepolder, werd gezegd te behooren tot Oud-Vossemeer, doch zulks geschiedde stellig tot voorkoming van misverstand met het ondertusschen of in 1566 totstand gekomen Nieuw-Vossemeer aan den overkant van de Heenetrecht.

Ook blijkens de rekening van 1591 had Vornelis Jacobss Stoofman in pacht een Gemet met 162 Roeden in den

(a) Adriaan Hendrikss Strme, schepen tan Tholen van 1528'—1539.

Stelhoek of in Oud-Vossemeer, uit welk een en ander blijkt, dat men ten deze reeds met een in de war gekomen toestand te doen heeft, doch dat men vroeger vermoedelijk ook hier met een Nieuw-Vossemeer te maken had. De mogelijkheid is echter niet uitgesloten, dat ook slechts een bepaald deel van den Kerkepolder als Nieuw-Vosse-rneer is bekend geweest. (b)

De aldus langs den schorrand aangelegde waterkeering heeft vermoedelijk geen nadeel van den stroom te lijden gehad, want breede slijken, die blijkbaar'spoedig in rijpe schorren zijn overgegaan, bleven reeds bij de inpoldering over. Bij de bedijking van Onze Lieve Vrouwepolder gingen 2105 Meter, en door de vorming van de polders Oud-Kijkuit en Leguit, achtereenvolgens vakken van 555 en 362 Meter in binnendijk, over. Bij het totstandkomen van den Vogelsangpolder werd eindelijk ook het laatste gedeelte van den zeedijk, nog 768 Meter lang, aan het water onttrokken, en de polder geheel door voorliggende accressen ingesloten. Niet voor altoos echter was die afsluiting van duur. Door het ondervloeien van Unze Lieve Vrouwepolder viel het westelijke dijkvak van 1530 tot 1561 weder bloot, waardoor het ook nog onderscheidene malen wijziging onderging.

Door den stormvloed van 1530, door welken de Kerkepolder dus weder in zeepolder was herschapen, zijn hier alstoen vijf van de zes bestaande dijkages overstroomd. Ongetwijfeld is alstoen ook de dijk van dezen polder zwaar beschadigd. Sporen daarvan treft men even wel in het dijks-profiel niet méégaan, weshalve daaromtrent verder ook niets met zekerheid te berichten valt.

Zwaar werden de polders van het waterschap door dit zoo hevige storrngetij evenwel getroffen; want zijn de tot ons gekomen berichten juist, dan veroorzaakte dit aan de dijkages eene schade van f25000, ongerekend het nadeel aan vruchten, landen en gebouwen daardoor ook teweeggebracht.

De Onze Lieve. Vrouwepolder kon zonder bijstand zelfs niet worden beverscht. Eerst in het volgende jaar, toen door Keizer Karei vrijdom van schot en bede voor een tijdvak van tien jaar was toegeslaan, greep eene kostbare herbedijking' daarvan plaats. In 1532 brak deze polder echter wederom in. Ook de vier andere dijkages vloeiden toenmaals weder onder, doch werden weldra weldra be-verscbt; alleen de Onze Lieve Vrouwepolder moest men voorshands laten drijven, en alle inspanning werd zelfs gevorderd, om den Kerkepolder, met het daarin alstoen reeds bestaande dorp. niet een gelijk lot als dien te doen ondergaan.

Gedurende het verder verloop der XVIe en het eerste gedeelte der XVlIe eeuw verneemt men ook niets omtrent de lotgevallen van den Kerkepolder, zoodat men niet in staat is te zeggen in hoeverre diens gronden ook door vloeden, als die van 1570 of 1625, zijn beschadigd. Vollediger bescheiden komen voor omtrent de uitwerkselen, die de vloed van 26 Januari 1682 hier heeft tengevolge gehad. Door dit getij was de ondertusschen gevormde Hikkepolder ondergevloeid en het water viel den alstoen weder bloot gevallen binnendijk dermate aan, dat deze langs den voormaligen Vosvliet, waar deze het zwakste was, over 100 Meter lengte bezweek. Een waarlijk diepe weel nam de plaats, waarop de dijk was aangelegd, in, en de Kerkepolder vloeide tot dijkshoogle onder water.

Tot welke ontsteltenis voor de dorpsbewoners deze ramp leidde, laat zich verklaren. De woningen waren niet te betrekken en vele van deze in erge mate beschadigd. Schier alle bewoners waren genoodzaakt elders een onderdak te vinden.

Tot herbedijking werd buiten de ontstane kolk om en alzoo over den grond van den Hikkepolder een kade opgevlet, die bij haar gebogén strekking eene lengte had van 38 Roeden of 136 Meter. Deze kade is na hare voltooiing tot eene volledige waterkeering opgewerkt, waartoe tal van werklieden, inzonderheid van Westkerke en Stavenisse, werden gebezigd.

De op die wijze verkregen nieuwe dijk kwam weldra aan zijne hoogte, daar men bij de uitvoering ervan gelukkig'

met geene uitzetting of verzakking te kampen had. Gedurende de bevloeiing van den Hikkepolder was daaraan echter nog voorziening noodzakelijk, want zonder deze liep men eiken dag nog gevaar van grondverlies.

De herbedijkingswerken, nader bepaald, als gelegen te zijn aan de Zoete Weel, hadden eene uitgaaf van nagenoeg 613 £ Vlaamsch na zich gesleept, zonder de kosten, die de polder ook nog had te dragen in de vernieuwing van den ui-twateringsduiker, die door het doorbreken van den dijk, moest worden herbouwd. Vooral deze uitgaven was. echter geen dijkgeschot omgeslagen ; al de henoodigde gelden waren bij ieenitig onder verband des polders, opgenomen of bijeen gebracht.

Op 21 Jannari 1721 is de Hikkepolder geïnundeerd, en ook dit ongeval bracht aan den Kerkepolder heel wat schade of ,nadeel toe. Reeds eenige weken te voren was hij het bezwijken van den vingerling voor de Oud-Kijkuitsche sluis, de binnendijk van de dijkage tegenover Leguit verhoogd en bekramd ; doch toen het water in Oud-Kijkuit en Leguit door een hevigen storm werd opgezet, stortte het allerwegen, doch hoofdzakelijk tegenover den Koentjesweg, over de nog te lage waterkeering in den polder. Bij den hoek van aansluiting of bijna recht over den zooeven genoemden weg, ontstond een ernstige breuk, waardoor ook de bedijking in het lot der vöor-polders kwam te deelen, Men slaagde er evenwel in de de gevallen opening spoedig te dichten ; want na verloop van slechts weinige weken was de grond en de kom van het daarop gevestigde durp van het zoute water ontlast.

De aardspecie voor de doorbraak gebezigd, was door Hollandsche vletters aangevoerd ; het opwerken of eigenlijke sluiten van den dijk heeft plaats gehad met arbeiders van het dorp, die, zoolang de polder dreef, dagelijks met kleine vaartuigen werden heen en weer gevoerd. Kunstwerken waren voor de afsluiting der doorbraak niet geëischt, en dit was oorzaak dat de kosten ervan ook nog al dragelijk waren. Aan de gronden, aan het gezaai, en aan de woningen van het dorp, was daarentegen veel schade toegebracht.

Het dijksbestuur had zich voor de polders Kerke, Oud-Kijkuit, Leguit en Slabbecoorn per adres gewend tot de Staten, hun verzoekende met eenige „remissiën geoctroy-eerd” te worden. Het verzoek werd in handen gesteld van de Heeren van de Rekenkamer, terwijl het bestuur gelast werd de gesteldheid der dijkages door twee beëedigde inspecteurs te doen opnemen met gehondenheid van hunne bevinding met gesloten brieven aan de Heeren van de Rekenkamer bericht te doen. Tot welk besluit het verzoek heeft geleid, is niet gebleken, (a)

Na deze laatstgemelde gebeurtenis brak een tijd van rust aan. Geene ongevallen van ernstigen aard deden zich althans vooreerst meer voor. Maar door den stormvloed van 12 Maart 1906, toen het getij te Tholen eene hoogte bereikte van 4,40 Meter boven N.A.P., schoot ook deze polder weder onder water, waardoor het gezaai en veel van het boomgewas verloren ging en de grond ook ditmaal voor eenigen tijd in zijne vruchtbaarheid werd benadeeld.

Ook het dorp vloeide tot merkelijke diepte onder water. De bewoners waren genoodzaakt hunne woningen te veiv laten, om, met achterlating van hunne goederen, naar andere plaatsen de wijk te nemen. Door het bestuur der afdeeling van het Groene Kruis werd met eenige ingezetenen van Tholen en Oud-Vossemeer een voorloopig comité gevormd, om in den nood te voorzien. Velen vonden bij measchlievende burgers een onderkomen, doch een. groot gedeelte werd geborgen in de Bewaarschool te Tholen, die ten deele ook als ziekenzaal werd ingericht.

De bedijking bleef dus niet geheel meer van ongevallen bevrijd; na de laatste gebeurtenis is zij echter niet meer door overstrooming getroilen. Grootelijks waren de rampen, daaraan 'ontstaan, het gevolg van het onvoldoende vermogen der binnendijken, naar welke, ook hier evenals elders, nimmer doorgaande, maar slechts in enkele gevallen met den noodigen ernst werd omgezien.

Suatie. De .suatie of uitwatering van den Kerkepolder heeft plaats op den Hikkepolder door een steenen duiker

(a) Statennotulen van 1721 bladz. 223.

in de nabijheid van de Zoete-Weel. Vroeger, toen de voorliggende bedijking nog niet als Hikkepolder bestond, moet hij, evenals tijdens de drijving toen zij nog als Onze Lieve Vrouwepolder was bekend, in het bezit eener zeesluis zijn geweest.

Bij het doorbreken van den dijk in 1682 spoelde de uitwateringsduiker weg, waarna deze voor rekening der polders Oud-Vossemeer en Kerke vernieuwing en tegelijk eenige verandering onderging. De kosten, die ongeveer 400 £ Vlaamsch bedroegen, werden gelijkelijk of in evenredigheid van hunne grootte door beide dijkages gedragen. Toen in 1713 weder vernieuwing plaats vond, en in 4752, deze geheel in steen werd herbouwd, droeg de Kerkepolder telkens maar voor een vierde part en de Oud-Vosse-meerpolder voor drie vierde gedeelte in de kosten daarvan hij. Ook het onderhoud van den Krommen watergang werd op gelijken voet door deze polders gedragen ; doch daarna zijn èn de duiker èu de watergang onder de gemeenschappelijke zaken'der suatie gesteld.

Veel last schijnt de polder van het hemelwater nimmer te hebben geleden. Toch was de afloop daarvan niet gansehelijk naar wensch en de oorzaak daarvan lag veelal in de minder gunstige gesteldheid buitendijks. Thans geschiedt de afloop van het water ook door het in den Hikkepolder gevestigde stoomgemaal.

Grootte. De grootte van den Kerkepolder bedroeg in 1479 nog 394 G.ehiete#dijkersland en 69 Gemeten vroon. Ruim twee eeuwen later, in 1682, besloeg de dijkage eene oppervlakte van 395 Genieten 100*/2 Roede dijkersland en 83 Gemeten 62 Roeden vroon. Weleer bedroeg de omvang wellicht iets meer, daar alstoen ook de dorpsgrond uitmakende de kom der gemeente, nog geheel of ten deele onder de schotbare of onbebouwde landen zal zijn gerekend geweest.

Bij het dichten der doorbraak van 1682 bij de Zoete "Weel is een Gemet 203 Roeden land aan den Hikkepolder onttrokken en aan deze dijkage toegevoegd. Thans bevat de polder eene oppervlakte van 153,5831 Hectaren schot-baar- en 32,2560 Hectaren vroonland; een en ander bestaande uit middelmatig zware klei waaruit blijkt, dat ook dit erf uit eeuigszins latere zeebezinkselen is ontstaan.

Ook de bodem van dezen polder was nog niet verkaveld, maar in. blokken of boeken, als belendingen, verdeeld. Daarin treft men alsnog aan; de Mare, de Stelblok, de Schouwkensblok, de Welhoek, de Gantel, de Boonen-blolc en de Meul- of Molenblolc. («)

Voor het optreden als ingeland wordt ook in den Kerkepolder een bezit van 4 Hectaren schotbaren eigendom gevorderd.